Van trāns tot très

In sommige opzichten is het Frans een uitzondering onder de Romaanse talen. Neem het bijwoord van graad dat wij vertalen met zeer, heel of erg. De grote Romaanse talen gebruiken doorgaans het woord dat afstamt van het Latijnse multum (of multō), een bijwoordelijke vorm van multus (veel): heel goed is molto bene (Italiaans), muy bien (Spaans), muito bem (Portugees) en molt bé (Catalaans). Het Frans doet het anders: dat gebruikt très. Waar komt très vandaan?

Mout bien
In het Oudfrans bestonden er meerdere woorden die zeer, heel of erg betekenden. Een daarvan was mout (uitgesproken als mowt [mowt]), dat net als molto en consorten van multum afstamde. Een manier om heel goed te zeggen was dus mout bien.

Très bien
Daarnaast kende het Oudfrans tres (toen nog uitgesproken mét [s]). Dat kwam van het Latijnse trāns. Oorspronkelijk was trāns een voorzetsel dat over (… heen), aan/naar de andere kant van, voorbij betekende: trāns montēs: de bergen over, naar de andere kant van de bergen. Later werd trāns ook als bijwoord gebruikt, aanvankelijk in de betekenis aan de andere kant, ervoorbij, eroverheen.

In het Proto-Romaans, de gesproken voorloper van de Romaanse talen, moet die betekenis nog verder verruimd zijn. Het woord moet op dezelfde manier gebruikt zijn als wij nu ultra- en super- gebruiken (Latijnse woorden die óók ervoorbij, erover, erboven betekenen). Zoals wij nu ultragoed en supergoed zeggen, zo werd in het Proto-Romaans *tras bene gezegd: zeer, heel of erg goed. In het Frans werd dat très bien.

Mout en très hebben een hele tijd naast elkaar bestaan, totdat mout het aflegde. Dat is een opmerkelijk verlies geweest, gezien de hoge gebruiksfrequentie van de multum-woorden in de hoge én lage registers van de andere Romaanse talen.

Trabene
Van de grote Romaanse talen kent alleen het Italiaans een evenknie van het Franse très: tra- als in trabene, tragrande en trapiccolo. Dat voorvoegsel tra- kan in principe aan elk bijvoeglijk naamwoord gehecht worden, maar in de praktijk wordt dat niet zo veel gedaan. Gebruikelijker is stra-, dat van extrā komt (ook al zo’n woord: boven (… uit), buiten).

Als woorden fuseren

Woorden als brunch en Brexit noemen we porte-manteaus. Het zijn bewuste fusies van twee woorden: brunch is een samenvoeging van breakfast en lunch, en Brexit bestaat uit Britain en exit.

Daartegenover staan contaminaties: woorden die in de loop der tijd verhaspeld zijn – zónder opzet dus. Hier volgen drie verschillende gevallen van dergelijke fusies. Onder elke afbeelding staat een toelichting.

Oorlog
In het Proto-Germaans stonden de woorden *uzlagaz (noodlot, bestemming) en *uzleugiją (strijd, krijg) geheel los van elkaar. Beide begonnen ze met het voorvoegsel *uz-, dat ook in woorden als oorzaak en oorsprong zit, en beide hadden ze in het tweede lid een l en een g, maar een verwantschap was er niet.

Op een bepaald moment werden de woorden verhaspeld: *uzlagaz kreeg naast zijn eigen betekenis noodlot, bestemming ook die van *uzleugiją: strijd, krijg. Het woord *uzleugiją verdween en *uzlagaz veranderde onder andere in het woord oorlog.

In onze taal heeft oorlog alleen de overgenomen betekenis nog, maar in het Nederduitse Orlog is naast strijd ook de oorspronkelijke betekenis van *uzlagaz bewaard gebleven: noodlot. Van het IJslandse örlög is noodlot de enige betekenis. Dat gold ook voor het Oudengelse orlæġ.

Haut
Het Latijnse altum (hoog; 4e naamval) is in de Romaanse talen veranderd in onder andere alto (Italiaans), artu (Sardijns), alto (Spaans; voorheen ook oto) en outo (Galicisch). In het Oudfrans werd het haut, destijds uitgesproken als hawt. Wat opvalt is dat dat woord een h heeft die niet uit het Latijn komt. Die h is erin verzeild geraakt door een verhaspeling met het Frankische *hauh (spreek uit: hauch), het woord dat ook aan hoog ten grondslag ligt. In de middeleeuwen waren er mensen die zowel Oudfrans als Frankisch spraken en kennelijk associeerden zij de woorden dermate sterk met elkaar dat de Frankische h in het Oudfranse woord terechtkwam.

In het Middelfrans is de h verdwenen, maar haut staat nog altijd geen elisie van de voorafgaande klinker toe: la haute couture niet l’haute couture. Dat is een kenmerk van woorden met een Germaanse h. Een ander voorbeeld is le heaume < *helm.

Citizen en denizen
De Engelse woorden citizen en denizen zijn het resultaat van wederzijdse contaminatie. Het Oudfrans had twee woorden voor een inwoner: citeien (van cité; het huidige citoyen) en deinzein (van deinz, de voorloper van dans: (binnen)in). In het Normandische Frans kreeg citeien de [z] van deinzein, en deinzein kreeg de [i] van citeien (strikt genomen een [j]: [t͜sitejɛn], maar de [i] is de klinkerversie van een [j]). De gecontamineerde Normandische vormen citezein en denizein kwamen in het Engels terecht en werden daar citizen en denizen.

Zullen en schuld

De woorden zullen en schuld komen van dezelfde Proto-Indo-Europese wortel: *skel-. Die woordstam betekende verschuldigd zijn en schuldig zijn. Door verschillende veranderingen is de verwantschap tussen zullen en schuld vertroebeld: zullen heeft weinig meer met een schuld te maken en begint met een andere medeklinker. Hoe is dat zo gekomen? Dat kom je in deze blogpost te weten.

Schuld
Van de stam *skel- werd in het Proto-Indo-Europees met het achtervoegsel -tis het zelfstandig naamwoord *sktís gemaakt. In het Proto-Germaans werd dat *skuldiz. (De u werd uitgesproken als onze oe, de d als in het Engelse the.) Het achtervoegsel *-diz en de variant *-tiz vinden we ook in gloed bij gloeien, bocht bij buigen, daad bij doen en macht bij mogen.

Uit *skuldiz ontstonden schuld en zijn Germaanse zusters. In het Middelnederlands veranderde de combinatie [sk] in sch- [sx]. Die verandering trad in onder andere het Fries en variëteiten van het Nedersaksisch en Oost-Brabants niet op: in het Fries is het skuld. In het Engels, Duits en Limburgs veranderde [sk] in [ʃ], respectievelijk gespeld als sh-, sch- en sj-.

Het Engelse lid van de schuld-familie, shild, is in onbruik geraakt. Sommige woordenboeken vermelden het nog.

Zullen: van schuld naar toekomst
In tegenstelling tot de betekenis van *skuldiz ging die van het Proto-Germaanse werkwoord *skulaną wél aan de wandel. Uit verschuldigd zijn ontstond de betekenis verplicht zijn en van daaruit moeten.1

Later ging het werkwoord dienst doen als hulpwerkwoord van de toekomende tijd. De betekenis moeten ligt daar niet zo ver vandaan. Vergelijk een Nederlandse zin als “Op de plek van de oude parkeergarage moet in 2023 een groot winkelcentrum komen”. In zo’n zin geeft ons eigen werkwoord moeten in feite niet meer aan dan de toekomende tijd.

In de meeste Germaanse talen staat het gebruik als hulpwerkwoord van de toekomende tijd nog naast de betekenis moeten, al is die moeten-betekenis tegenwoordig naar de achtergrond geschoven. Denk in het Nederlands aan zinnen als “Ik wil niet!” – “Je zúlt!” en “Wat zal ik doen?”

In het Duits is juist het gebruik als hulpwerkwoord van de toekomende tijd sterk afgenomen: alleen in bepaalde gevallen heeft sollen die betekenis nog: “Sie lernte dort einen Jungen kennen, der später ihr Mann werden sollte.”

Schullen
Zoals *skuldiz veranderde in schuld, zo had *skulaną moeten veranderen in schullen.2 Ook het Duitse sollen en Friese sille zijn niet de verwachte uitkomsten van *skulana: ze hadden de vorm schollen en skille moeten hebben. Wat is er gebeurd? In de middeleeuwen verloor het werkwoord in deze talen zijn [k]. In het vroege Oudnederlands zijn nog vormen mét [k] aangetroffen, zoals sculan en scolde, net als in het Oudhoogduits: sculan en scolta.

De [k] verdween doordat het hulpwerkwoord vaak niet beklemtoond wordt, en in onbeklemtoonde posities zijn woorden vatbaarder voor slijtage – zeker als ze zo veel gebruikt worden. De [s] die overbleef veranderde in het Nederlands en Duits in een [z], maar in het Fries is de [s] gebleven. Het Engels heeft geen last gehad van de slijtageslag: in die taal heeft shall de verwachte beginmedeklinker.

Zou en zouden
Tot slot kijken we naar zou en zouden. Waar is hun l gebleven? Die hadden ze nog in het Oudnederlands: s(c)olde en s(c)olden. De combinatie -old- veranderde op weg naar het Middelnederlands in -oud- (destijds uitgesproken als –owd– [ɔʊ̯d]). Dat is bijvoorbeeld ook in goud gebeurd; vergelijk En. gold en Du. Gold. De [l] veranderde dus in een [w]: solde werd soude/zoude. Die vorm verloor later zijn -de, zoals ook woude in wou veranderde en konde in kon. In het meervoud bleef de d (al hoor je ook zouwen).

In het hedendaagse Nederlands van Nederland is er een ontwikkeling aan de gang die sterk lijkt op wat er in de middeleeuwen is gebeurd. Er zijn namelijk mensen die de l vóór medeklinkers als een soort w uitspreken. Hij telt wordt bij hen iets als hij tewt [tɛɤ̯t]. Door die ontwikkeling komen ik zal en ik zou gevaarlijk dicht bij elkaar te liggen: ik zaw [zɑɤ̯] en ik zou [zɑʊ̯]. Ik ken mensen die de twee vormen op schrift, bijvoorbeeld op WhatsApp, zelfs lijken te verwarren, waarschijnlijk doordat ze in de uitspraak dus zo veel op elkaar lijken: “Zou ik de boormachine zondag even af komen geven?”

  1. Zo’n zelfde betekenisverandering heeft plaatsgevonden in het Engelse ought (zou moeten), dat oorspronkelijk een vorm van het werkwoord to owe (verschuldigd zijn) is.
  2. In feite had *skulaną moeten veranderen in scholen (zoals *mugan (uit het eerdere *maganą) in mogen veranderde) of scheulen (zoals *duganą in deugen veranderde), maar het nam de dubbele medeklinker en u van kunnen over, dat op zijn beurt konnen had moeten zijn maar in het oosten en de kuststreek van ons taalgebied een u kreeg. Vergelijk de verledentijdsvorm konden, die zijn o wel bewaard heeft.

Germaanse w-woorden in het Romaans

Willem van Oranje heet in het Frans Guillaume d’Orange. Die Franse voornaam, Guillaume, heeft dezelfde oorsprong als Willem: het Germaanse *Wiljahelmaz. Wat direct opvalt is dat de Franse naam met een g begint in plaats van een w.

Die g vind je in vroege Romaanse ontleningen van Germaanse w-woorden. Zo is het Franse gant aan het Germaanse *want ontleend. Hoe hebben die woorden hun g gekregen? Dat lees je in deze blogpost.

Het eind van de Latijnse [w]
In het Latijn van Cicero en Caesar stond de letter v voor de [w] die je in het Engelse work hoort. De woorden vallum en vīnum begonnen dus niet met een [v] (in tegenstelling tot wat op Nederlandse gymnasia wordt geleerd). De Latijnse [w] is bewaard gebleven in vroege ontleningen in het Germaans. [w]allum en [w]īnum hebben hun [w] behouden in het Engelse wall en wine, en in ons eigen wal en wijn (zij het in een iets andere vorm: [ʋ] in Noord-en Midden-Nederland en [β̞] in Zuid-Nederland en Vlaanderen).

In de eerste eeuw na Christus begon de [w] te verdwijnen uit het Latijn. Hij ging over in een medeklinker die later een [v] zou worden in onder andere het Frans, Italiaans en Portugees en een [b] en [β̞] in onder andere het Spaans. In het Italiaans veranderden [w]allum en [w]īnum dus in [v]allo en [v]ino.

De Germaanse [w]
In de vijf eeuwen na Christus was er vrij intensief contact tussen Romaanstalige en Germaanstalige volkeren. Er zijn in die periode aardig wat woorden uit het Germaans in het Romaans terechtgekomen, met name woorden uit het Frankisch, een West-Germaanse taal. Tot die ontleningen behoorden woorden die met een [w] begonnen. Die [w] werd in de meeste Romaanse talen versterkt tot [ɡw]. Het Germaanse *werra werd dus guerra.

Het Italiaans, Frans en Spaans
In het Italiaans bleef die [ɡw] intact. In het Frans is hij later veranderd in een [ɡ]. Het Italiaanse guardare staat dus tegenover het Franse garder, dat van het Oudfranse guarder komt. In Franse woorden als guerre en guise is de letter u niet meer dan een manier om aan te geven dat de g als in garçon wordt uitgesproken en niet als in gens.

In het Spaans en Portugees is de [ɡw] behouden voor een a, zoals in guardar, maar veranderd in een [ɡ] voor een e of i, zoals in guerra en guisa. Net als in het Frans is de u in die woorden puur een spellingskwestie.

War
Het woord waar guerra en guerre op teruggaan, *werra, betekende verwarring, opschudding, oproer. Het bestaat nog steeds in het Nederlands: war. Het Nederlands kent dus alleen de eerste betekenis nog, verwarring, en het woord war is nu beperkt tot de vaste verbindingen in de war, door de war en uit de war.

Het Engelse war is ook familie, maar dat is een leenwoord: het komt van het Oudnormandische werre – dat dus een [w] had in plaats van [ɡw]. In het gebied waar nu onder andere het Normandisch, Picardisch en Waals gesproken worden, heeft de overgang van [w] naar [ɡw] namelijk niet plaatsgevonden.

Ouest en wagon
De verandering van de Germaanse [w] in de Romaanse [gw] is typisch voor de vroege ontleningen waar dit stuk tot nu toe over gaat. In latere ontleningen zien we andere medeklinkers. Zo werd het Oudengelse west in het Oudfrans overgenomen als ouest. Ouest kwam op zijn beurt terecht in de andere Romaanse talen, waar het woord een o kreeg, zoals in het Spaanse oest [o.est] en het Portugese oeste [ɔ.ˈɛʃtɨ] of [wɛʃtɨ].

Later haalde het Frans wagon uit het Engels, en dat woord wordt nu uitgesproken met een [v] in Frankrijk en met een [w] in Wallonië. Het Franse wagon kwam in het Italiaans en Portugees terecht en kreeg daar een [v]: vagone [vaˈɡone], vagão [vɐˈɣɐ̃w̃].

Het ligt er dus maar net aan in welke periode een woord is overgenomen. Had het Frans pas in de elfde eeuw kennisgemaakt met de Germaanse naam die toen intussen als Willahelm klonk, dan was daar niet Guilleaume [ɡijom] maar waarschijnlijk Ouileaume [wilom] uit gekomen. Was de naam Wilhelm in de tijd van wagon pas verfranst, dan had hij in Frankrijk een [v] gehad.

Krocht, grot en crypte

Het Latijnse woord crypta is drie keer in onze taal terechtgekomen. De eerste keer werd het krocht, de tweede keer grot en de laatste keer crypt(e). Zulke woorden, die van hetzelfde woord afstammen maar elk een andere vorm hebben, heten doubletten.

Hoe komt het dat crypte, grot en krocht zo sterk van elkaar verschillen? Dat kom je in deze blogpost te weten.

Crypte
De recentste ontlening van crypta is crypte met zijn nevenvorm crypt. In Nederlandse teksten is dat woord voor het eerst in de zestiende eeuw aangetroffen. Het komt – waarschijnlijk via het Middelfranse crypte – van het Latijnse schrijftaalwoord crypta. Crypte wordt nu voornamelijk gebruikt voor de ondergrondse ruimten onder een kerk, zoals grafkelders of overblijfselen van een eerdere kerk.

Grot
Het woord grot is via een langere omweg bij ons terechtgekomen. Het is ontleend aan het Middelfranse grotte, maar zelf kwam dat van het Italiaanse grotta.1 Grotta is een erfwoord en gaat terug op het Proto-Romaanse (oftewel Volkslatijnse) woord *grọpta, een nevenvorm van *crọpta, beide afkomstig van crypta. Het is in het Proto-Romaans wel vaker gebeurd dat woorden die oorspronkelijk met een c [k] begonnen, een nevenvorm met een g kregen. Zo komen het Italiaanse gatto en het Spaanse gato van *gattu, een nevenvorm van *cattu (kat).

Het Latijnse crypta
Het Latijnse crypta betekende overdekte gang, gewelf, grot, crypte. Het was zelf ook een leenwoord en kwam van het Oudgriekse κρυπτή (kruptē), een afleiding van het werkwoord κρύπτω (kruptō), verbergen. Daarvan zijn ook cryptisch (raadselachtig, verborgen), encryptie (versleuteling) en het voorvoegsel crypto- (heimelijk, versleuteld) afgeleid.

In het Oudgrieks klonk de υ van κρυπτή als onze uu [y] in fuut, maar in het Latijnse woord moet die klinker uitgesproken zijn geweest als een oe [u]. Anders had hij namelijk nooit in de Proto-Romaanse [ʊ] van *crọpta/*grọpta kunnen veranderen. Vergelijk curtum (kort), dat via *cọrtu in It. corto veranderde.

Vanwaar die Latijnse oe-uitspraak in plaats van de Griekse? Het Latijn kende de Griekse uu-klank niet en het gevolg daarvan was dat de klinker gebruikt werd die daar het dichtst bij lag.2 Vergelijk wat wij doen met Engelse woorden als flat en tram: het Nederlands kent de Engelse klinker [æ] niet en dus gebruiken we de [ɛ] van bed, die daar het meest op lijkt. (Sterker nog: er zijn genoeg mensen die het verschil niet horen.)

Krocht
De crypta-ontlening die al het langst bij ons is, is krocht – een verborgen, ondergrondse ruimte, vaak in de context van een schuilplaats voor iets wat het daglicht niet kan verdragen. Aanvankelijk moet het ontleend zijn in de betekenissen crypte en grot, want dat zijn de betekenissen die we in het Duits, Middelnederduits en Oudengels bij dat woord aantreffen.

Krocht moet al heel vroeg aan het Latijn ontleend zijn, ergens in de eerste eeuwen na Christus. Daar wijst een klankverandering op die in het Proto-Germaans en Proto-Westgermaans werkzaam was: de verandering van -pt- in -ft-. Crypta moet namelijk overgenomen zijn als *krufti.3 Vanwaar die verandering in -ft-? In het Germaans was de combinatie -pt- niet mogelijk: die veranderde altijd in -ft-, of het nu om erfwoorden ging of om leenwoorden die binnenkwamen. Zo stond *kraup (ik kroop) tegenover *krauft (jij kroop) en niet **kraupt.

Op weg naar het Middelnederlands veranderde -ft- vervolgens in -cht-: krufti werd crocht. Dezelfde overgang van -ft- naar -cht- heeft plaatsgevonden in woorden als lucht (vgl. het Duitse Luft), kracht (vgl. Kraft) en achter (vgl. het Engelse after). Voorbeelden van woorden die zowel de verandering van -pt- in -ft- als die van -ft- in -cht- hebben doorgemaakt, zijn kocht, dat van kofte komt en bij het werkwoord kopen hoort (dus met een p), en gerucht, dat in het vroege Middelnederlands gerufte was en een oude afleiding is van roepen.

Woorden waarin alleen de verandering van -pt- in -ft- heeft plaatsgevonden, zijn bruiloft (bij lopen) en schrift (van het Latijnse scrīptum). In het Middelnederlands bestonden ook de regelmatige nevenvormen brūlocht en scricht, maar die hebben het in het Nederlands niet overleefd.

  1. Het Oudfrans had ook een woord dat rechtstreeks van *crọpta kwam: croute. Dat is nu verdwenen.
  2. In sommige woorden spraken de Romeinen de Griekse υ [y] niet als oe [u] maar als ie [i] uit. Een voorbeeld daarvan is γύψος: dat werd in het Latijn overgenomen als gypsum en de klinker ontwikkelde zich in de Romaanse talen zoals zich ook de korte [i] ontwikkelde: It. gesso, Sp. yeso. (Vergelijk pilum (haar), dat veranderde in It. pelo, Sp. pelo.)
    Waarschijnlijk hebben Romeinen van de hogere klassen, die onderwezen werden in het Grieks, deze y-woorden wél met de Griekse klinker proberen uit te spreken.
  3. Van de vrouwelijke uitgang -i ben ik niet helemaal zeker. Ik heb namelijk geen reconstructie van de Westgermaanse vorm in de literatuur kunnen vinden. Ik baseer me op (a) het vrouwelijke geslacht van het woord in de Germaanse dochtertalen (Ne. krocht, Du. Gruft), (b) de afwezigheid van de -e in het Duitse Gruft, een kenmerk dat het woord deelt met andere nazaten van vrouwelijke i-woorden (Bank, Braut, Faust uit *banki, *brūdi en *fūsti), terwijl vrouwelijke woorden uit de Westgermaanse u- en ā-groep in het Duits wél een -e hebben, (c) de umlaut die het meervoud Grüfte heeft en die het deelt met andere i-woorden (Bänke, Bräute, Fäuste).

Vriend, vijand en heiland

De woorden vriend en vijand zijn ontstaan als onvoltooid deelwoord, zoals ziend en vlijend. In de loop der tijd zijn ze versteend: we vatten ze niet meer op als werkwoordsvormen.

Van welke werkwoorden komen ze? En als het deelwoorden zijn, hoe komt het dan dat vijand niet eindigt op -end maar op -and? Dat kom je in deze blogpost te weten.

Vijand
Vijand komt van een werkwoord dat nu verdwenen is. De gereconstrueerde Proto-Germaanse vorm is *fijēną. (Spreek uit: fie-jèè-nan [ˈɸi.jɛː.nɑ̃], met -an zoals in het Franse an.) De betekenis moet haten, niet leuk vinden, vijandig behandelen zijn geweest. Een vijand was dus oorspronkelijk iemand die jou haatte. Als het werkwoord *fijēną nog had bestaan, was het vijen geweest.

Vriend
Vriend moet in het Proto-Germaans als *frijōndz hebben geklonken. Het was het onvoltooid deelwoord van *frijōną. (Spreek uit: frie-jòò-nan [ˈɸri.jɔː.nɑ̃], met -òò- als in zone.) Dat werkwoord werkwoord bestaat nog steeds: vrijen. Het is in de afgelopen 2500 jaar wel van betekenis veranderd, want de Proto-Germaanse betekenis moet liefhebben, leuk vinden zijn geweest. Je kon het werkwoord oorspronkelijk dus met een lijdend voorwerp gebruiken: *ik frijō þik: ik vind je leuk. Nu kun je alleen nog iemand vrijen in de betekenis iemand tot een huwelijk aanzoeken – maar geen kip die dat nog zegt.

*Frijōną was overigens een afleiding van het woord *frijaz. Dat is de voorloper van ons vrij, maar het had een andere betekenis: bemind, geliefd. Het woord moet alleen gebruikt zijn voor vrije mensen in de gemeenschap en dus niet voor slaven. Zo kreeg het de betekenis niet-gevangen.

Vijend en vrijend
Met vijand is iets bijzonders aan de hand. De uitgang van het onvoltooid deelwoord is in het hedendaagse Nederlands -(e)nd: spelend, lopend, ziend. Je zou dus vijend verwachten. Vanwaar die a? In vijand is de oude a van *fijandz bewaard gebleven. De oorzaak van die afwijking is het christendom. De vijand was namelijk een bijnaam voor de duivel. Frequent gebruik in een religieuze context heeft soms een conserverende werking op woordvormen.

Een ander voorbeeld daarvan is het Duitse woord Heiland. Ook dat is namelijk een oud onvoltooid deelwoord. De oorspronkelijke betekenis was helend(e). Het woord is een leenvertaling van het Laatlatijnse salvātor (redder), waarmee Jezus Christus bedoeld wordt. Het hedendaagse Duitse deelwoord van heilen is heilend; in Heiland is de oude a dus ook bewaard gebleven.

Ons eigen woord heiland is overigens uit het Oudhoogduits afkomstig, al had het ook een erfwoord kunnen zijn, aangezien ons huidige werkwoord helen een jonge vorm is die de oude vorm heilen heeft vervangen.

Ook vriend heeft een ongewone vorm: bij vrijen zou je het onvoltooid deelwoord vrijend verwachten. Hoe is het dan toch vriend geworden? De oorzaak is een vroege verkorting van de klinker geweest. De Proto-Germaanse ij (spreek uit: iej) van *frijōndz had een lange ī moeten worden en daar zou uiteindelijk een ij uit zijn gekomen, zoals in het werkwoord vrijen. Maar de ī werd verkort en zo ontstond in het Oudnederlands een tweeklank: friund. Die iu werd in het Middelnederlands de tweeklank ie (spreek uit: [iə̯]). Je sprak vriend dus uit als vriënd. Later werd dat de huidige klinker ie [i].

Freund en friend, Feind en fiend
Tot slot: ook in het Duits en Engels hebben de woorden zich wat anders ontwikkeld dan verwacht. Friend staat tegenover het werkwoord to free en heeft klinkerverkorting ondergaan. Freund staat tegenover freien; de eu is ontstaan door de besproken verkorting van de ī. In het Oudhoogduits was het net als in het Oudnederlands friund.

In plaats van Feind zou je in het Duits Feiend hebben verwacht, maar de e is weggevallen. Het werkwoord waar het Engelse fiend van afgeleid is, zou to fee zijn geweest. Fiend wordt met de lange i-klank uitgesproken die to fee zou hebben gehad, dus het is in dit geval de spelling die anders is dan verwacht.

Eigen en to owe, ought, own

Ons woord eigen heeft een bijzondere oorsprong. Het stamt af van een Germaans werkwoord dat in het Nederlands verloren is gegaan en hebben, bezitten betekende: *aiganą.

Van de stam van dat werkwoord, *aig-, is ook vracht afgeleid. De Germaanse voorloper daarvan, *fra-aihtiz, betekende bezit, eigendom. Later ontstond via de tussenstap vrachtgeld de huidige betekenis lading.

*Aiganą heeft ook de Engelse woorden to owe, ought en own opgeleverd. Het bijzondere is dat die woorden ooit respectievelijk de infinitief, de verleden tijd en het voltooid deelwoord waren van één en hetzelfde werkwoord, en zich in de loop der tijd van elkaar hebben afgesplitst. Hoe dat precies is gegaan, vertel ik in deze blogpost. Ook kom je te weten hoe de vormen van *aiganą hadden geklonken als ze ook in onze taal nog hadden bestaan.

To owe
In het Oudengels was *aiganą veranderd in āgan. De verleden tijd was āhte en het voltooid deelwoord (ġe)āgan. Het woord betekende – net als in het Germaans – hebben, bezitten. Het werd veel gebruikt in de constructie āgan tō ġieldenne: terug te betalen hebben. Die constructie werd mettertijd zo frequent dat het woord voor terug te betalentō ġieldenne – weggelaten kon worden en āgan zelf de betekenis verschuldigd zijn kreeg, zoals in iemand geld verschuldigd zijn. Dat is de enige betekenis die is overgebleven in het huidige Engels, zoals in to owe money to someone.

Ought
De verleden tijd van āgan ontwikkelde zich van āhte tot ought. De vorm kreeg naast was verschuldigd ook de betekenis zou moeten. Die betekenissen liggen immers dicht bij elkaar: als je het iemand verschuldigd bent om te komen helpen, zou je die persoon simpel gezegd moeten komen helpen.

Na de periode van het Middelengels gebeurde er iets bijzonders: de vorm ought hield alleen de betekenis zou moeten over, splitste zich af van to owe en ging een eigen leven leiden. To owe kreeg er een nieuwe verleden tijd voor in de plaats: owed.

Own
Ook het voltooid deelwoord dat bij dat werkwoord hoorde, heeft zich afgesplitst. In het Oudengels betekende (ġe)āgan al zowel gehad als eigen. De betekenis gehad is nu verdwenen en als voltooid deelwoord van to owe is own dus vervangen door owed. Alleen de betekenis eigen is nog over – en het daar weer van afgeleide werkwoord bezitten.

Eigen
Nu komen we ons bij ons eigen woord eigen. Dat is een afleiding van het Proto-Germaanse voltooid deelwoord van *aiganą.1 Eigen betekende dus ooit gehad, in het bezit gekomen.

Egen, hij/zij eeg, echt, geëgen
Op eigen na is het werkwoord *aiganą uit het Nederlands verdwenen. Maar hoe had het geklonken als het nog had bestaan? De Proto-Germaanse *ai is in het Nederlands een e geworden. *Braidaz werd bijvoorbeeld breed, en taikną veranderde in teken. *Aiganą zou dus egen geworden zijn. Het voltooid deelwoord *aiganaz zou geëgen opgeleverd hebben. (Het voorvoegsel ge- is van een latere periode.)

Een bijzonderheid is dat egen in de derde persoon enkelvoud niet hij/zij eegt zou zijn geweest, maar hij/zij eeg. De -t zou dus hebben ontbroken, net als bij hij/zij kan, zal en mag. Al deze werkwoorden gaan namelijk terug op oude verledentijdvormen en die hebben ook geen -t: hij/zij zag, stal etc.2

Hoe zou de verleden tijd *aihtǭ in het hedendaagse Nederlands geklonken hebben? Het werkwoord behoort tot een groep die in de verleden tijd haar -e is kwijtgeraakt: mocht, kocht, zocht, bracht, dacht. In het Middelnederlands was de -e er nog wel: mochte, brachte etc. In plaats van echte zou het dus echt zijn geweest. En vanwaar die korte klinker in echt tegenover egen? Voor het cluster -cht zou de klinker verkort zijn, net zoals in kocht tegenover kopen – in plaats van koocht. Vergelijk ook het woord licht (niet zwaar), dat van *līhtaz met een lange ī komt en zonder de verkorting lijcht was geworden. Vergelijk het Duitse leicht en het Engelse light.

  1. Eigen kan echter niet van het reguliere voltooid deelwoord *aiganaz komen, want dan was het egen geweest: de *ai is bij ons in een e veranderd. (Zie verderop in de tekst.) Het moet van de variant *aiginaz komen, met een i, want alleen voor een i in de volgende lettergreep veranderde *ai in ei, zoals in *klainiz > klein.
  2. In het Proto-Germaans was *aiganą een zogenoemd preteritopresens, net als de Proto-Germaanse voorlopers van onze woorden kunnen, zullen, mogen, weten en moeten. Een preteritopresens is een werkwoord dat afgeleid is van een oude verledentijdsvorm. De vorm *aih betekende in het Proto-Geermans gewoon ik bezit, maar was oorspronkelijk een verleden tijd zoals *raid (ik reed, heb gereden) en *bilaib (ik bleef, ben gebleven). Het had dus ooit de betekenis ik ben in het bezit gekomen van gehad, net zoals kunnen had betekend: ik heb geleerd.

Hebben, haben, to have en avoir, avere, haber

De Germaanse werkwoorden hebben, haben en to have lijken verdacht veel op de Romaanse werkwoorden avoir, avere en haber. Bovendien betekenen ze hetzelfde en worden ze allemaal gebruikt voor de voltooide werkwoordstijden: ik heb gegeten; j’ai mangé. Het kan niet anders of ze zijn verwant. Toch?

Nee, dat zijn ze niet. Het is puur toeval dat ze zo veel op elkaar lijken. Hebben en haar Germaanse zusters stammen af van een andere woord dan haber en consorten. Hebben heeft wel familie in de Romaanse talen, alleen niet in het huishouden van moeder habēre maar in dat van capere. In deze blogpost leg ik uit hoe we dat weten.

Nattevingerwerk
Voor het grootste deel van onze geschiedenis was redeneren over de herkomst van woorden nattevingerwerk. Mensen vonden woord A en B op elkaar lijken en daarom kwam woord A van B. De zeventiende-eeuwse arts Becanus dacht bijvoorbeeld dat het woord Diets van d’Oudste kwam. Dat was voor hem reden om te geloven dat de Bijbelse Adam en Eva al Nederlands hadden gesproken. De naam Noach was volgens hem een afleiding van nood, want er was nood aan de man geweest op het schip uit de vertelling.

Wetmatigheden
In de negentiende eeuw was het klaar met dat nattevingerwerk. Geleerden ontdekten wetmatigheden in de overeenkomsten tussen onder andere het Grieks, Latijn, Gotisch en Sanskriet. Er was al eens eerder geopperd dat die talen een gemeenschappelijke voorouder hadden, maar nu werd dat aangetoond aan de hand van wetmatigheden: wat een [h] is in taal A, is een [k] in taal B, en die [h] en [k] moeten afstammen van één en dezelfde oermedeklinker.

Een invloedrijk werk werd gepubliceerd door Jacob Grimm – van de gebroeders Grimm die ook de bekende sprookjes hebben opgetekend. Hij liet in 1822 zien hoe de medeklinkers in Germaanse talen als het Duits corresponderen met de medeklinkers in andere talen die we nu tot de Indo-Europese taalfamilie rekenen – in zijn werk met name het Latijn en Grieks. Grimm formuleerde een klankwet die bekend werd als de Wet van Grimm. Zijn wet is een beschrijving van de manier waarop het medeklinkersysteem van de Germaanse talen op een bepaald moment systematisch van andere Indo-Europese talen is gaan verschillen.

Grimm toonde bijvoorbeeld aan dat onze [h] afkomstig is van een medeklinker die in het Latijn een [k] opleverde (geschreven met een c). Hieronder staan vier voorbeelden van corresponderende Nederlandse en Latijnse woorden, met in de middelste kolom hun (pas veel later) gereconstrueerde gemeenschappelijke voorouder:

De Proto-Indo-Europese voorouder van ons woord hoofd ontwikkelde zich in het Latijn dus tot caput. Wat in Nederlandse erfwoorden (geen leenwoorden) een [h] is, is in het Latijn dus een [k]. We weten nu dat deze twee medeklinkers afstammen van een *k. (Het accent op de *ḱ in sommige woorden in de middelste kolom doet er nu even niet toe; het duidt een kj-achtige k-klank aan.)

Dat het woord hoofd correspondeert met caput, betekent dus dat hebben geen relatie kan hebben met het Latijnse habēre, dat avoir en haber opleverde, omdat habēre met een h begint en niet met de vereiste c. Een Nederlandse h correspondeert immers met een Latijnse c, niet met een h. De Latijnse nicht van hebben is dan ook capere (met de klemtoon op de a), dat onder andere het Italiaanse capire opleverde.

De h van habēre moet dus teruggaan op een andere medeklinker. De reconstructie van die oermedeklinker is *gh. Die moet hebben geklonken als de g van goal met aspiratie; dat wil zeggen: met een pufje lucht. Die *gh leverde in het Nederlands een g op. Ons woord gast en het Latijnse hostis (vijand, vreemdeling) gaan bijvoorbeeld allebei terug op zo’n gh-woord: *ghóstis. Hier volgen weer vier voorbeelden:

Als het Nederlands een woord had gehad dat verwant was geweest aan habēre en zijn Romaanse nazaten, dan had dat dus met een g moeten beginnen. En dat woord bestaat niet: het oerwoord heeft het in het Germaans niet overleefd. Avoir, avere en haber hebben dus geen familie bij ons. Ze lijken tegenwoordig aardig wat op hebben, haben en to have, maar dat is niet meer dan toeval. Daarom noemen we ze valse cognaten. Benieuwd naar andere valse cognaten? Klik hier voor een overzicht van mijn blogposts met dat thema.

Over de Wet van Grimm gaat ook deze post.

Wijf, vrouw, queen en kween

Het is geen toevel dat het Nederlandse woord wijf en het Engelse wife zo veel op elkaar lijken: ze hebben dezelfde oorsprong. Maar hoe komt het dan dat hun betekenissen zo ver uit elkaar liggen? In deze blogpost kijken we naar de geschiedenis van wijf, wife en andere woorden voor vrouwen in het Nederlands en Engels: vrouw, kween, queen en woman.

De rode duimen geven betekenisverslechtering aan (pejorisatie); de groene betekenisverbetering (amelioratie).

Wijf en wife
Wijf en wife stammen allebei af van het Proto-Germaanse *wībą. Dat woord moet gewoon vrouw hebben betekend, zonder positieve of negatieve bijklank. Het werd gebruikt voor niet-adellijke vrouwen. Toen de West-Germaanse talen elk hun eigen weg waren gegaan, deden de betekenissen dat ook.

In het Oudengels werd wīf niet alleen gebruikt om een vrouw aan te duiden maar ook een echtgenote in het bijzonder. Vandaag de dag is dat de enige betekenis die overgebleven is – behalve in Schotland, waar het ook nog gewoon vrouw betekent.

We gaan door naar het Middelnederlandse woord wijf, dat net als het Oudengelse wīf uitgesproken werd met de lange ie van vieren en de w-klank die het Engels nu nog heeft. Wijf was in de middeleeuwen een normaal woord voor een vrouw: sijn wijf betekende gewoon zijn vrouw. Maar in de afgelopen eeuwen is de betekenis erop achteruitgegaan: je noemt een vrouw nu niet zo snel meer een wijf – al hoor je weleens het amicale topwijf.

In veel dialecten was wijf (wief, wèèf, waif, wuuf etc.) zelfs nog tot in de twintigste eeuw een smetteloos woord voor een vrouw. Toen Nederland en Vlaanderen in die eeuw massaal overgingen op de standaardtaal, kreeg wijf ook in veel van die dialecten de misprijzende bijklank.

Vrouw
De plaats van wijf is nu overgenomen door vrouw. Dat woord heeft noch een negatieve noch een positieve bijklank, maar ooit was dat anders: in het Proto-Germaans betekende zijn voorloper *frawjǭ (met de nasale o van Fr. bon) nog adellijke vrouw. Het was de vrouwelijke vorm van *frawjô, dat heer betekende en geheel is verdwenen. De woorden bevatten de wortel die ook in voor, vorst (koning), voort en vorderen zit – ze sloegen dus op voorname mensen. Ook vrouw is er dus wat op achteruitgegaan.

*Frawjǭ leverde in het Oudnoors overigens freyja op, een woord dat bekend is van de gelijknamige godin Freyja. Haar naam betekende dus letterlijk dame, adellijke vrouw.

Queen en kween
Een taalmythe die je weleens langs hoort komen, is dat het Engelse queen dezelfde oorsprong heeft als ons woord kween. Het zit iets ingewikkelder in elkaar. Het Proto-Germaans had naast de eerder besproken woorden de volgende twee vrouwenwoorden: *kwēniz en *kwenǭ. Ze komen weliswaar van dezelfde wortel (het Proto-Indo-Europese *gʷénhs, dat ook het Oudgriekse γυνή gunē opleverde), maar let op het verschil in klinkerlengte en uitgang.

*Kwēniz, met de lange e van blèren, betekende gehuwde vrouw. Al in het Oudengels ging het woord erop vooruit: het ging vrouw van een koning betekenen. In het Nederlands bestaat het niet meer. Had het nog wel bestaan, dan was het in het Standaardnederlands waarschijnlijk kwaan geweest.

*Kwenǭ, met de korte e van Fr. été, betekende gewoon vrouw. Zowel in het Nederlands als in het Engels heeft het wat aan status moeten inleveren. Bij ons veranderde het in kween, een woord dat zelden nog gebruikt wordt en dat slaat op een oude, lastige of klagende vrouw.

In het Engels kwam het woord cwene er nog slechter van af: al in het Oudengels kon het duiden op dienaressen of zelfs prostituees. In het hedendaagse Engels is het woord zeldzaam, maar als het gebruikt wordt, betekent quean iets als slet – behalve in Schotland, waar het gewoon meisje betekent. Quean wordt uitgesproken als queen, maar er is een variant die op main rijmt.

In het Zweeds leverde *kwenǭ overigens kvinna op en in het Noors kvinne, woorden die nog altijd de oude, neutrale betekenis vrouw hebben. In het Deens betekent de afstammeling kone nu met name gehuwde vrouw.

Woman
Er is nog één woord dat besproken moet worden: woman. Dat komt van het Oudengelse wīfmann, letterlijk vrouwmens. (Mann betekende gewoon mens; zie ook deze post.) Al in het Oudengels ontstond de variant wimmann, zonder f en met een korte i. De meervoudsvorm was wimmenn. In het Middelengels gebeurde er iets bijzonders met de klinker in het enkelvoud: die veranderde in een oe-klank [u] door de voorafgaande w, die daar fonetisch dicht bij ligt. In het meervoud kreeg die klinkerverandering geen voet aan de grond en bleef de korte i. Daardoor hebben we nu het verschil woman [wʊmən] ~ women [wɪmən], waarbij in de spelling de tweede klinker verschilt, maar in de uitspraak de eerste.

Du quaems en du gings

In het Middelnederlands spraken we elkaar niet aan met jij maar met dū. In de westelijke dialecten zei je bijvoorbeeld dū kens mī (jij kent mij).

Dū stamt af van het Proto-Germaanse þū (met de th-klank van thing en de lange oe van voeren) en is verwant aan het Latijnse , een verre neef.

Na de afbeelding lees je hoe het is gekomen dat uit het Nederlands is verdwenen.

De u van was oorspronkelijk lang (zoals in buren) maar er bestond ook een korte vorm du (zoals in fuut). In het oosten klonk het woord als het Duitse du.

Een s in het werkwoord
De werkwoordsuitgang die in het Middelnederlands bij hoorde, was -s of -es: dū does (jij doet), dū blijfs/blīves (jij blijft), dū waers/wares (jij was), dū droechs/droeges (jij droeg). In het werkwoord sijn was het -s of -st: bes/best.

De uitgang -st van het Duits, Engels, Nedersaksisch en Fries is ontstaan door heranalyse: de t is de d van du, die opgevat is als onderdeel van de werkwoordsuitgang. In bijvoorbeeld het Oudhoogduits was het eerst dū kwimis (jij komt) en in omkering kwimis dū. Kwimis dū sprak je uit als kwimistū, dus met een t. Later dachten mensen dat die t bij het werkwoord hoorde: kwimist dū.

Onbeleefd
Al in de dertiende eeuw kreeg ons Nederlandse concurrentie van ghī, de voorloper van gij en jij. Ghī betekende oorspronkelijk jullie, maar had – net als het Franse vous – ook de betekenis u gekregen. In eerste instantie waren de functies duidelijk gescheiden: was de vertrouwelijke vorm en ghī de beleefdheidsvorm. Maar met het verstrijken van de tijd kwam daar verandering in: ghī werd in het Hollands, Brabants, Zeeuws en Vlaams steeds meer gebruikt als vertrouwelijke vorm. Dat ging ten koste van : in de zestiende eeuw werd het woord als onbeleefd ervaren. Dat was het begin van het einde: in de zeventiende eeuw verdween het voorgoed.

In literaire kringen probeerden sommigen du in leven te houden, maar dat mocht niet baten. De makers van de Statenvertaling van de Bijbel kozen voor gij en dat was een harde klap voor du in de schrijftaal die zou uitgroeien tot het Standaardnederlands.

Met het verlies van du zijn het Hollands, Brabants, Zeeuws en Vlaams een uitzondering onder de Germaanse talen geworden – samen met het Engels, dat zijn thou ook is kwijtgeraakt. In het Fries, het Limburgs (behalve het Noord-Limburgs) en het merendeel van het Nedersaksische taalgebied zijn de nazaten van þū nog springlevend.

De Latijnse neef
Tot slot maken we nog een klein uitstapje naar , de Latijnse neef. Dat woord is goed bewaard gebleven in de Romaanse talen. Uitzonderingen vinden we in Zuid-Amerika. In het Braziliaans Portugees overheerst você, dat oorspronkelijk een beleefdheidsvorm was (vossa mercê: uwe genade). In grote delen van het Spaanstalige gebied wordt vos gebruikt, de oude jullie-vorm die daar – na een tijd als beleefdheidsvorm – verving.