Liggen, leggen en lotgenoten

De werkwoorden liggen en leggen lijken verdacht veel op elkaar en hun betekenis is ook nog eens verwant: als je een boek ergens neerlegt, zorg je ervoor dat het daar komt te liggen. Die gelijkenis is geen toeval: leggen is een afleiding van liggen. Het mechanisme waarmee het ervan afgeleid is, vinden we bij nog heel wat meer woorden. Vandaag bekijken we dat mechanisme.

Causatieven
Leggen is een zogeheten causatief van liggen. Causatieven zijn werkwoorden die het laten gebeuren van een handeling uitdrukken: leggen is ‘doen liggen’. Twee andere voorbeelden zijn zetten, dat ‘doen zitten’ betekent, en drenken, dat ‘doen drinken’ betekent.

Vergelijk je paren als liggen en leggen, dat zie je dat ze verschillen in hun klinker. Je zou kunnen zeggen: het basiswerkwoord heeft een i en de causatief heeft een e. Maar dat is niet het hele verhaal.

Neem voeren, vellen en leiden. Voeren – in de betekenis van ‘brengen’, niet in die van ‘voederen’ – is de causatief van varen, dat oorspronkelijk ‘gaan’ betekende. Voer je goederen het land uit, dan zorg je ervoor dat ze het land uit gaan. Vellen komt van vallen. Als je een boom velt, zorg je ervoor dat hij valt. Leiden komt van lijden. Lang geleden betekende lijden ‘gaan’; die betekenis zit nog in overlijden, een synoniem van overgaan. Leiden is dus ervoor zorgen dat iets gaat zoals je wilt. In deze woordparen vinden we heel andere klinkercombinaties. Zit er dan toch geen patroon in? Toch wel! Maar daarvoor moeten we naar het Proto-Germaans, de verre voorouder van het Nederlands.

Een combinatie van drie
In het Proto-Germaans werden causatieven op een regelmatige manier gevormd met drie elementen:

  • enkelvoudsstam van de verleden tijd + -(i)j- + uitgang

De eerste twee elementen hebben wat uitleg nodig. We beginnen met die enkelvoudsstam van de verleden tijd.

Ic dranc en wī dronken
In het huidige Nederlands hebben sterke werkwoorden doorgaans één stam in de verleden tijd: bij drinken hoort dronk- en daar leid je alle vormen van af: ik dronk, wij dronken en voorheen ook gij dronkt. Er is maar één groep sterke werkwoorden waarbij dat niet zo is, maar die groep valt vanwege de spelling nauwelijks op: bij nemen hoort nam- in het enkelvoud maar naam- in het meervoud: ik nam maar wij namen en gij naamt.

In het Middelnederlands was de situatie anders. Het was toen ic dranc en wī dronken. Ook werkwoorden als bīten ‘bijten’ hadden er twee: ic bêet, uitgesproken als beeët [beə̯t], en wī beten, uitgesproken als beten [beːtən]. In de loop der eeuwen verloor het Nederlands de enkelvoudsklinker: ic dranc werd ik dronk.

Het oude klinkerverschil verklaart waarom de verleden tijd van het Engelse to drink een a heeft: I drank, net als die van het Duitse trinken: ich trank. Die twee talen zijn doorgaans de meervoudsklinker verloren, al is het Engels erg wispelturig geweest: to ride heeft de enkelvoudsklinker in I rode, terwijl to bite de meervoudsklinker heeft in I bit.

*Lag + j + aną maakt leggen
Terug naar de causatieven. Die werden dus gevormd met de stam van het enkelvoud van de verleden tijd. Daarachter kwam het achtervoegsel *-i(j)-, waarover later meer. In het geval van het hele werkwoord volgde de uitgang *-aną, de voorloper van -en.

Neem *ligjaną, de voorloper van liggen. De verledentijdsstam was *lag- en de causatief was dus *lagjaną, oftewel leggen. Wanneer de stam een lange lettergreep had (dus een lettergreep met een lange klinker, tweeklank of twee eindmedeklinkers) dan verscheen er een extra -i-: bij *drinkaną hoorde *drankijaną (spreek uit: drang-kie-jah-nã [ˈdrɑŋ.ki.jɑ.nɑ̃]).

Hieronder vind je een overzicht met acht causatieven. Na de afbeelding vertel ik hoe uit de blauwe Germaanse vormen de hedendaagse werkwoorden ontstonden, want er is iets bijzonders gebeurd met de klinkers.

Umlaut
Kijk je naar de oranje vormen, dan valt op dat de klinkers relatief veel lijken op die van de dochterwoorden: *wakāną werd waken, windaną werd winden, fallaną werd vallen. Bij de blauwe woorden is dat niet het geval. Van de a van *wakjaną zien we in wekken niets terug. Waar is dat door gekomen? Umlaut.

Bij het woord umlaut denk je misschien aan de puntjes op de Duitse ä, ö en ü. Die puntjes heten inderdaad ook umlaut, maar die naam hebben ze te danken aan het taalverschijnsel dat zorgde voor de klánk van ä, ö en ü.

Fuß en Füße
In de geschiedenis van de Germaanse talen was umlaut een speciaal type klinkerverandering. Daar waren meerdere smaken van, maar het type waar we het vandaag over hebben is i-umlaut. In de jonge Germaanse talen zorgden de i en de j (de medeklinkerversie van de i) er in bepaalde woorden voor dat de klinker die eraan voorafging, van klank veranderde. Een voorbeeld: het Proto-West-Germaanse meervoud van *fōt ‘voet’ was *fōti. Het enkelvoud veranderde in het Duits in Fuß, maar het meervoud werd Füße. Die ü hebben we te danken aan de i in de lettergreep erna.

Op weg naar het hedendaagse Duits verdween die i, maar de geümlaute klinker bleef. Omdat het Latijnse alfabet geen aparte letter voor deze klank had, schreef men aanvankelijk een e na of boven de klinker: tränken was traenken. Later werd die e veranderd in de twee umlautpuntjes die we nu kennen.

Maar wacht: hoe kan een klinker veranderen door een i in de volgende lettergreep? Daarvoor moeten we naar de fonetiek.

Smokkelen met je tong
De i en de j spreek je vooraan in de mond uit, met een tong die heel dicht bij het gehemelte komt. Dat wil zeggen: je tong gaat richting je voortanden. Spreek de ie en de oe maar eens een aantal keer achter elkaar uit. Je voelt je tong verhuizen. De j zit op dezelfde plek als de ie. Het is er de medeklinkertegenhanger van.

Omdat onze voorouders lui waren als ze spraken (net zo lui als wij, overigens), gingen ze bij het uitspreken van woorden als wakjaną smokkelen: ze gingen met hun tong alvast naar de j toe terwijl ze nog bij de a waren. De a is een klinker waarbij je tong juist op de bodem ligt. Til je hem iets op – om alvast wat meters te maken in de aanloop naar die hoge i/j-positie – dan kom je uit bij een è. Daarmee wil ik niet zeggen dat je wakjaną automatisch uitspreekt als wekjaną – zeker niet – maar in de loop van vele jaren kan zo’n a wel steeds è-achtiger worden, doordat je tong steeds een fractie van een millimeter extra smokkelt. Iedere nieuwe generatie had een iets è-achtigere a, totdat het een echte è was.

Niet overal evenveel
Die i’s en j’s hebben niet in alle talen evenveel veranderd. In het Hollands, dat aan de basis van het Standaardnederlands ligt, zijn er maar weinig umlautklinkers ontstaan, doordat de i en j er al vroeg wegvielen of een stomme e werden. Het meervoud van voet is gewoon voeten.

In buurtalen is dat anders. De oostelijke streektalen van ons land hebben veel meer gevallen van umlaut dan de westelijke. In het Oost-Brabants heeft het meervoud van voewt bijvoorbeeld wel umlaut: vuujt. Het Limburgs heeft voot en veut. In het Engels is er een handjevol relichten, waaronder het meervoud feet bij foot. Denk ook aan mouse en mice, Maus en Mäuse en het Limburgse moes en muus.1

Causatieven met en zonder umlaut
Weer terug naar de causatieven. Dat zijn woorden waarin de i’s en j’s zelfs in het Hollands voor umlaut zorgden, net als in het Engels, Duits en Fries. *Satjaną werd zetten, setzen, to set en sette. *Drankijaną werd drenken, tränken, to drench en drinzje. Het Duits is een beetje slordig geweest met zijn umlautpuntjes, want je zou sätzen verwachten.

Een uitzondering in het schema is voeren. Met umlaut zou *fōrijaną in vuren zijn veranderd, en dat is dan ook de vorm die het woord in mijn Midden-Brabantse dialect heeft. Vergelijk ook het Duitse führen. Ook zogen, de causatief van zuigen, is in het Nederlands umlautloos, maar bijvoorbeeld in het Drents is het zeugen, en in het Duits säugen.

Soms zijn de klinkerrelaties door slijtage vertroebeld geraakt. Neem het Engelse to lie ‘liggen’ tegenover to lay ‘leggen’. In het Oudengels was die relatie nog duidelijk: liċġan (spreek uit: lied-dzjan [lid.d͡ʒɑn]) tegenover leċġan (led-dzjan [led.d͡ʒɑn]).

Tam en temmen
Hetzelfde mechanisme vinden we bij woorden als tam en temmen. Tam is een bijvoeglijk naamwoord en temmen is een werkwoord dat ‘tam maken’ betekent. Temmen is op dezelfde manier afgeleid van tam als drenken van drinken: stam plus *-(i)janą. En daar hoorde natuurlijk umlaut bij.

Wat ik bij de causatieven nog niet had verteld: de i en de j zorgden in het Engels voor een medeklinkerverandering. Net zoals de umlautklinkers verder naar voren in de mond werden uitgesproken, verschoven ook de k en de g naar voren. Daar kwam respectievelijk een tsj- en een dzj-klank uit: bij to drink hoort to drench, bij long (nu zonder g-klank) hoorde tot voor kort to linge. Ook in het Fries zien we dat effect soms: bij drinke hoort drinzje ‘drenken’.

Er zijn ook werkwoorden die afgeleid zijn van zelfstandige naamwoorden. Zo komt dekken van dak: dekken is ‘van een dak voorzien’. En vertellen is verwant aan taal. Hieronder volgt een overzicht. Tot slot zal ik nog iets over de samenval van leggen en liggen in Holland vertellen.

Leggen in het Hollands
In Hollandse en andere westelijke dialecten zijn leggen en liggen samengevallen. Je hoort daar bijvoorbeeld:
(1) Hij leg te maffe. (‘Hij ligt te slapen.’)
Hoe is dat zo gekomen? In het late westelijke Middelnederlands waren de tweede en derde persoon van allebei de werkwoorden leis en leit.2 Du leis betekende dus ‘jij ligt’ en ‘jij legt’; hij leit ‘hij ligt’ en ‘hij legt’. Die samenval was door regelmatige klankveranderingen ontstaan. Zie daarover dit artikel. Doordat leis en leit gelijk waren, werden de werkwoorden in Holland verward en vielen ze samen. Ook in Friesland zijn de werkwoorden samengevallen: lizze betekent ‘liggen’ en ‘leggen’. Zie onderstaande kaart van Jan Stroop; links van de lijn zijn leggen en liggen (en hun plaatselijke varianten) samengevallen:

In het Standaardnederlands in wording, dat grotendeels op het Hollands geënt is, werden liggen en leggen kunstmatig gescheiden, op basis van dialecten waarin ze nog niet waren samengevallen. Die ingreep is gelukt en daaraan danken we het huidige onderscheid.

Er zijn tot slot nog wel meer gevallen waarin een causatief werkwoord samengevallen of gemixt is met het basiswerkwoord. Zo was zwemmen oorspronkelijk zwimmen (to swim, schwimmen) maar de tegenwoordige tijd is in de standaardtaal overgenomen van zwemmen ‘doen drijven’. In het Duits is hangen, hing, gehangen ‘hangen’ (als in De jas hangt aan de kapstok) gemixt met hängen, hängte, gehängt ‘doen hangen’ (als in De jas aan de kapstok hangen), met als resultaat hängen, hing, gehangen.

  1. Een typisch verschil tussen enerzijds West- en Midden-Brabant en anderzijds Oost-Brabant is bijvoorbeeld het feit dat de Oost-Brabantse dialecten bol staan van de umlautvormen in werkwoorden, meervoudsvormen en verkleinwoorden: ’t menneke lûpt nòr de bm (het mannetje loopt naar de bomen) versus het meer westelijke ’t manneke lôpt nòr de bme.
  2. In mijn Midden-Brabants is de derde persoon van beide werkwoorden nog steeds hetzelfde: hij leej betekent ‘hij ligt’ en ‘hij legt’. In Drunen is het onderscheid tussen ligge en legge wel intact gebleven; in Waalwijk, één kilometer naar het westen, niet. Zie de kaart hierboven.

Beleefdheid: slijtage en vervanging

Veel talen hebben naast een informele aanspreekvorm, zoals jij en tu, ook een beleefdheidsvorm, zoals u en vous. U-vormen gebruik je in formele situaties, tegenover iemand met een hogere status, tegenover vreemden van dezelfde of een hogere leeftijd, of om afstand te bewaren. Voor sprekers van het Nederlands en de Romaanse talen is dat de normaalste zaak van de wereld, maar de beleefdheidsvormen van deze talen zijn pas vrij laat in de geschiedenis ontstaan.

In dit artikel kijken we eerst naar het ontstaan van de Romaanse u-vormen. Tot slot gaan we naar ons eigen u. De verschillende beleefdheidsvormen hebben veel met elkaar gemeen. Ze hebben een ontstaansgeschiedenis waar slijtage en vervanging hoofdrollen in hebben gespeeld.

Het Latijn
Het Frans, het Spaans, het Portugees en het Italiaans hebben net als wij een jij-vorm en een u-vorm. Het Frans heeft tu en vous, maar de andere talen hebben voor de u-vorm heel andere woorden: het Spaans usted, het Portugees você én het duo o senhor en a senhora, en het Italiaans Lei. Waar komen die grote verschillen vandaan?

Ze zijn te wijten aan het feit dat de gemeenschappelijke voorouder van de Romaanse talen, het gesproken Latijn, geen verschil tussen jij- en u-vormen maakte. Zelfs in het klassieke Latijn, de verheven literaire taal, bestond geen onderscheid. Sprak je één persoon aan, dan gebruikte je en in het geval van een groep gebruikte je vōs. In de vroege keizertijd sprak je zelfs de keizer aan met . Het hele concept van beleefdheid uitdrukken met een voornaamwoord bestond gewoon nog niet en is pas later in de Romaanse talen ontstaan, toen die al uiteen waren gegroeid.

De jonge Romaanse talen
In de vierde eeuw na Christus begon de zittende keizer van het Romeinse Rijk aangesproken te worden met vōs – dus met de meervoudsvorm die ‘jullie’ betekende. Dat gebruik van het meervoud werd een manier om de grote macht van de keizer te onderstrepen.

In de vroege middeleeuwen werd vōs een manier om mensen als keizers, koningen en de paus aan te spreken. Later begon die vorm iets aan status in te boeten: het werd een manier om respect te betonen aan iedereen die hoger stond in de hiërarchie, dus ook aan edellieden, geestelijken, welgestelden en zelfs aan ouderen binnen je eigen familie.

Rond 1400 was in de Romaanse talen een onderscheid ontstaan dat grosso modo overeenkomt met dat van het huidige Frans, al hebben de precieze gebruiksgewoonten altijd verschild per tijd en per regio. In alle vier de talen stond tegenover het informele tu een beleefde meervoudsvorm die van het Latijnse vōs afstamde. Hieronder staan de vertalingen van ‘u doet’ / ‘jullie doen’.

In het Frans is de situatie ongeveer zo gebleven. De andere drie talen zijn hun eigen weg gegaan. We zullen die ontwikkelingen eens van dichtbij bekijken.

Het Spaans: een lange slijtagecyclus
In het Spaans is er heel wat veranderd. Ten eerste kregen mensen de behoefte om een onderscheid te maken tussen het vos dat ‘u’ betekende en het vos dat ‘jullie’ betekende. Om die reden gingen ze weleens otros/otras ‘anderen (m./v.)’ toevoegen aan de jullie-vorm. Vos fazedes betekende dus ‘u doet’ én ‘jullie doen’, maar vos otros fazedes was een duidelijke manier om alleen ‘jullie doen’ te zeggen. Vergelijk wat Engelstaligen doen met you guys en y’all tegenover het ambigue you.

Later werden de twee delen van vosotros en vosotras onafscheidelijk. De enige manier om in Spanje ‘jullie doen’ te zeggen is nu vosotros/vosotras hacéis. Deze woorden zorgden er zelfs voor dat ook nos ‘wij’ gezelschap kreeg van otros en otras, terwijl in de eerste persoon helemaal geen onderscheid nodig was. Waar het Frans, Portugees en Italiaans nog gewoon nous, nós en noi hebben, kent het Spaans voor de onderwerpsvormen alleen nog nosotros en nosotras. (Voor het lijdend en meewerkend voorwerp wordt nos gebruikt, en os bij vosotros.)

Terug naar het oude Spaans. Daar kreeg vos concurrentie. Dat kwam doordat zijn gebruik zo ver verruimd werd dat er behoefte ontstond aan een woord waarmee je meer respect kon uitdrukken. Mensen vonden het vos waar ze de bakker mee aanspraken, niet meer geschikt voor de omgang met bijvoorbeeld de adel. Ze kwamen daarom met nieuwe formules. Een daarvan was vuestra merced, dat letterlijk ‘uwe genade’ betekent. Denk ook aan het your grace waar in Game of Thrones zo kwistig mee gestrooid wordt.

Omdat vuestra merced een naamwoordgroep was (net als bijvoorbeeld vuestra casa ‘uw huis’) en dus geen persoonlijk voornaamwoord, werd het met de derde persoon van het werkwoord gecombineerd: vuestra merced faze ‘u doet’, letterlijk ‘uwe genade doet’. Vergelijk ons gebruik van Zijne Majesteit bij het aanspreken van de koning: Heeft Zijne Majesteit onze gerenoveerde tuinen al gezien?

Het nadeel van zo’n complete woordgroep als vuestra merced was dat het een hele mondvol was. Als het niet het onderwerp van de zin was, kon er gelukkig naar verwezen worden met voornaamwoorden:
(1) Vuestra merced sabe que la estimo mucho. (letterlijk: ‘Uwe genade weet dat ik haar hoogacht.’)
Maar de onderwerpsvorm vuestra merced was zo log dat hij mettertijd steeds verder ingekort werd. Hij sleet van vuestra merced via vuestarced en vusted tot usted.1 Het is alsof Zijne Majesteit zou slijten tot Zaasteit of iets dergelijks. Slijtage tot een handzaam woord past geheel bij de overgang van een woordgroep tot een echt persoonlijk voornaamwoord, een proces dat grammaticalisatie wordt genoemd.

Wat gebeurde er met vos? Dat is gedegradeerd. In veel Zuid-Amerikaanse variëteiten van het Spaans is het gewoon ‘jij’ gaan betekenen. Het wordt gecombineerd met een iets ingekorte werkwoordsvorm: naast vosotros hacéis staat vos hacés ‘jij doet’. Dat gebruik van het informele vos in plaats van heeft zelfs een eigen naam gekregen: voseo. Sommige Spaanstaligen kijken erop neer, maar voseo is niet meer weg te denken uit veel variëteiten van het Spaans.

Vosotros bestaat overigens alleen nog in de spreektaal van Spanje. In Zuid-Amerika is het vervangen door ustedes, de meervoudsvorm van usted: ustedes hacen ‘jullie doen’. In Spanje is ustedes net als usted een beleefdheidsvorm, dus ‘u’ in het meervoud, maar in Zuid-Amerika is het die status verloren. In delen van Colombia is zelfs usted gedegradeerd: daar is het nu een informeel ‘jij’.

Onderstaand schema toont de huidige situatie. Daarna gaan we naar het Portugees. In die taal is de degradatiecylcus nóg verder gegaan.

Het Portugees: verdere degradatie
In het Oudportugees stond tu ‘jij’ tegenover vós, ‘jullie’ en ‘u’ betekende. Net als in het Spaans onstond later behoefte aan een nieuwe beleefdheidsvorm die duidelijker respect uitdrukte dan vós. Dat werd vossa mercê ‘uwe genade’, een formule die familie was van het Spaanse vuestra merced. Ook vossa mercê sleet mettertijd: via vossemecê en vosmecê werd het uiteindelijk você, maar ook vormen als vossuncê en vosmincê hebben bestaan. Você kun je dus vergelijken met usted – maar alleen qua vorm! Het gebruik is heel anders.

In Portugal wordt você gewoonlijk gebruikt door gelijken onder elkaar (bijvoorbeeld door collega’s) en door meerderen tegenover hun minderen (bijvoorbeeld door een baas tegenover haar werknemers) om afstand uit te drukken. Het is dus geen beleefdheidsvorm waarmee je respect betoont. De regels van het gebruik van você kennen regionale variatie en je loopt het gevaar dat iemand het niet op prijs stelt om você genoemd te worden. Onze docenten Portugees hebben ons daarom met klem afgeraden om você in Portugal te gebruiken.2 Portugezen vermijden het zelf ook, bijvoorbeeld door iemands voornaam als voornaamwoord te gebruiken:
(2) O João vai também? (letterlijk: ‘Gaat João ook?’)

De nieuwe beleefdheidsvormen zijn o senhor en a senhora, letterlijk ‘meneer’ en ‘mevrouw’. Denk aan ons – wat verouderde – Zou meneer nog een kop koffie willen?
Ook titels als a professora ‘de docente’ en o doutor ‘de dokter’ kunnen gebruikt worden:
(3) O doutor sabe o que é? (letterlijk: ‘Weet de dokter wat het is?’)

In Brazilië zijn zulke woorden de enige optie. Você is daar namelijk gewoon ‘jij’ gaan betekenen en heeft tu in de meeste regio’s verdrongen. In informeel taalgebruik is você zelfs ingekort tot .

Ook in het meervoud is het Portugees verder gegaan dan het Spaans. Vós is op enkele Noord-Portugese regio’s na verdwenen en wordt nu geassocieerd met plechtstatig of religieus taalgebruik. Het is vervangen door vocês, de meervoudsvorm van você. Ook in Portugal, waar het enkelvoudige você zo’n gecompliceerd gebruik kent, is vocês in het meervoud de neutrale vorm.3

Hieronder staat de huidige situatie in schemavorm. We hebben daarna nog één Romaanse taal te gaan: het Italiaans. Dat doet het weer wat anders dan het Spaans en Portugees.

Het Italiaans: zij
Ook het Italiaans heeft een evenknie van vous, namelijk Voi. Aanvankelijk kreeg ook dat woord naast ‘jullie’ de betekenis ‘u’. We vinden dat gebruik bijvoorbeeld in het werk van Dante Alighieri. Maar tegenwoordig is de situatie gecompliceerder.

Voi wordt met name in het zuiden nog als u-vorm gebruikt, maar het wordt in de andere delen van het land geassocieerd met de tijd van Mussolini. Mussolini wilde namelijk af van het gebruik van Lei, de u-vorm die Voi in grote delen van Italië had vervangen. Dat is hem niet gelukt, want Lei is nog altijd de standaardvorm – sterker nog: de fascist heeft Voi in het noorden de doodsteek gegeven. Het bijzondere van Lei is dat het exact hetzelfde woord is als lei ‘zij’. Hoe is het een u-vorm geworden?

Denk terug aan de Spaanse en Portugese formules vuestra merced en vossa mercê. Dat waren complete woordgroepen. Dergelijke formules ontstonden in de renaissance ook in het Italiaans: Vostra Signoria ‘uw heerschap’, Vostra Eccellenza ‘uwe excellentie’, Vostra Maestà ‘uwe majesteit’.

Net als in het Spaans en Portugees waren die formules een hele mondvol. Denk nu ook terug aan wat die talen deden met vervangende voornaamwoorden: was de u-vorm het voorwerp van de zin, dan werd het vervangen door een voornaamwoord dat haar betekende – merced en mercê waren immers vrouwelijke woorden. In het Italiaans gebeurde hetzelfde, maar ook in het geval van het onderwerp: de hele vrouwelijke woordgroep werd vervangen door het woord dat ‘zij’ betekende, namelijk ella:
(4) Ella sa che la stimo molto. (letterlijk: ‘Zij weet dat ik haar hoogacht.’)
In de loop van de tijd verdwenen de logge formules en werd Ella de gebruikelijke manier om ‘u’ te zeggen, ongeacht of de aangesprokene een man of vrouw was. In de schrijftaal kreeg het een hoofdletter om het van ella ‘zij’ te onderscheiden.

Intussen is Ella vervangen door Lei. Oorspronkelijk was lei een vorm die je alleen na een voorzetsel gebruikte of als voorwerpsvorm met nadruk, net als het mannelijke lui. Voor het onderwerp werden egli en ella gebruikt, familie van het Franse il en elle, het Spaanse él en ella en het Portugese ele en ela:
(5a) Vado con lei. (‘Ik ga met haar mee.’)
(5b) Ho visto solo lei, lui no! (‘Ik heb alleen haar gezien, hem niet!’)
(5c) È stata ella. (‘Zij is het geweest.’)
Op een bepaald moment gingen mensen ook in zinnen als 5c lei gebruiken. Aanvankelijk was daar weerstand tegen. Het is eigenlijk hetzelfde als wat wij doen als we hun zijn zeggen: we maken van een voorwerpsvorm een onderwerpsvorm. Intussen zijn egli en ella geheel uit het gesproken Italiaans verdwenen; zo komen nu erg oubollig over. Ook het formele Ella legde het af tegen Lei.

In het meervoud ontstond de u-vorm Loro, afgeleid van loro ‘zij (meervoud)’, maar meestal wordt gewoon voi gebruikt. In onderstaand schema zie je de huidige Italiaanse situatie:

Voordat we naar het Nederlands gaan, is het interessant om nog even stil te staan bij het Catalaans. Dat zit in zijn ontwikkeling namelijk tussen het Frans en het Spaans in. Vostè en vosté, regionale varianten van de Catalaanse tegenhanger van usted en você, waren tot voor kort ultraformele beleefdheidsvormen. Daartegenover stond vós als ‘gemiddelde’ beleefdheidsvorm. Het Catalaans gedroeg zich dus zoals de andere talen ooit ook hadden gedaan. Door de invloed van het Spaans worden vostè en vosté nu echter steeds meer gebruikt ten koste van vos. ‘Jullie’ is overigens vosaltres.

Het Nederlands: de degradatie van gij
Tot slot kijken we naar het Nederlands. In de verre voorouder van het Nederlands, het Germaans, bestond nog geen beleefdheidsvorm, net als in het Latijn. Eén persoon sprak je aan met *þū (= thū) ‘jij’, waaruit onder andere du en thou ontstonden, en meerdere personen met *jīz ‘jullie’, waaraan we ihr en ye te danken hebben.

In het Middelnederlands gebeurde hetzelfde als in de Romaanse talen. Ghī ‘jullie’, de afstammeling van *jīz, werd net als vous als beleefdheidsvorm gebruikt: ghī maect betekende zowel ‘jullie maken’ als ‘u maakt’. De voorwerpsvorm van ghī was ū ‘jullie’ en de bezittelijke vorm ūw ‘jullie’.

Later verving ghī in het centrum en het westen van ons taalgebied het informele dū: dū maecs ‘jij maakt’ werd steeds meer vervangen door ghī maect. De beleefdheidsvorm degradeerde dus tot algemene vorm, net als vós in Spaanstalig Zuid-Amerika en você in Brazilië. Op de verbinding het mijn en dijn na zijn de vormen van dū uit onze taal verdwenen. In de oostelijke streektalen bestaan ze nog altijd: doe, diech, dou etc. Het Brabantse -de in hedde gij heeft er niets meer te maken.

In de Brabantse, Noord-Limburgse en Vlaamse dialecten zijn de nazaten van ghī en ū tot op de dag van vandaag in gebruik gebleven: gij, geej, gaë, etc. met als voorwerpsvorm u, ouw, aa, oe etc. In Holland onstond jij (een verhaal apart, dat ik voor een andere keer bewaar). In het Limburgs betekent geer, dat familie van gij en ihr is, nog altijd ‘u’ én ‘jullie’.

In het meervoud werd gij vervangen door gijlieden en gijluiden, vormen die goed te vergelijken zijn met vosotros, want ze dienden om onderscheid te maken met gij. In het zuiden ontstonden daaruit vormen als gullie, golle en gijle, in Holland jullie. Tussenstappen in het ontstaan van die uiteindelijke Standaardnederlandse vorm waren jelie(den) en jelui (met de klemtoon op -lie(den) en -lui).

Jelie en jelui werden verbonden met een werkwoordsvorm in de tweede persoon: jelie hebt en jelie zijt (en later bent), net zoals nu nog in het zuiden: gùllie het en gùllie zet bij ons in Drunen, golle é(d) en golle (d) in Antwerpen. Uiteindelijk kreeg jullie in het Standaardnederlands de werkwoordsvorm van de eerste en derde persoon meervoud: jullie hebben en jullie zijn.

Uwe Edelheid en u
Door de degradatie van gij ontstond behoefte aan een nieuwe beleefdheidsvorm, net als in het Spaans en Portugees. Zo werd de formule Uwe Edelheid geboren. Uwe Edelheid was nogal een mondvol, en daarom werd het vaak afgekort tot U.E, uitgesproken als uwee. Een relict daarvan is waarschijnlijk bewaard in het Bossche uwes:
(6) Uwes heet mijn nie gezien. (‘U heeft mij niet gezien.’)

Wat er daarna gebeurde, is niet helemaal duidelijk. Er zijn er die zeggen dat Uwe Edelheid via U.E. werd afgekort tot u. Die herkomst zou verklaren waarom u vaak met een derde persoon enkelvoud wordt gecombineerd: u heeft, u kan en voorheen zelfs u is, want Uwe Edelheid heeft. Het probleem is alleen dat u in de oudste bronnen wordt gecombineerd met een twééde persoon enkelvoud, dus u hebt en u kunt.

Philippa e.a. (2003-2009) nemen daarom aan dat vormen als u hebt en u kunt ontstaan zijn uit gij hebt en gij kunt, net zoals hun hebben en hun kunnen zijn ontstaan uit zij hebben en zij kunnen: de voorwerpsvorm verving de onderwerpsvorm. Die ontwikkeling kan versterkt zijn door het daarnaast gebruikte U.E. Derdepersoonsvormen als u heeft moeten dan verklaard worden als verhaspelingen van u hebt en U.E. heeft. Zie voor een link naar de hele uitleg voetnoot 4.

Tot slot
De ontwikkeling in het Nederlands heeft duidelijke parallellen met die in de Romaanse talen. Elke taal is zijn eigen weg gegaan, maar de principes – slijtage in vorm en een continue verversing van afgezwakte beleefdheidsvormen – zijn universeel.

  1. Er hebben nog heel wat andere tussenvarianten bestaan, zoals vuestasted en voarced.
    De vorm voor het lijdend voorwerp is naast la tegenwoordig ook lo, afhankelijk van het geslacht van de aangesprokene. Dat geldt ook voor het Portugees: bij você horen a en o.
  2. Ik ben me ervan bewust dat het Portugees ook een officiële taal van Angola, Mozambique, Guinea-Bissau, Kaapverdië, São Tomé en Príncipe and Equatoriaal Guinea is, maar omdat ik niets weet van de situatie van você daar, zwijg ik erover.
  3. Typisch is wel dat vocês in Portugal gemixt wordt met vormen van vós. De onderwerpsvorm is altijd vocês en de bijbehorende werkwoordsvorm is die van de derde persoon meervoud (dus vocês fazem en niet vós fazeis), maar de voorwerpsvorm is vos, het bezittelijk voornaamwoord is vosso/vossa en in combinatie met com ‘met’ wordt het convosco ‘met jullie’ – allemaal vormen van het oude vós. In Brazilië zijn ook die vormen verdwenen en wordt in alle gevallen vocês gebruikt. Het bezittelijk voornaamwoord is in de standaardtaal seu/sua (dat ook ‘hun’ betekent), maar dat wordt vaak vervangen door de vocês ‘van jullie’.
    In Brazilië wordt juist het enkelvoudige você met het oude tu gemixt: de voorwerpsvorm is vaak te, het bezittelijk voornaamwoord teu/tua (naast seu/sua, dat ook zijn en haar betekent, en de você ‘van jou’) en in combinatie met com is het vaak contigo.
    Saillant is dat de Portugezen de Braziliaanse você-mixvormen maar niks vinden en de Brazilianen de Portugese vocês-mixvormen.
  4. http://etymologiebank.ivdnt.org/trefwoord/u

De ou en au, de ei en ij

Wie Nederlands leert lezen en schrijven, komt er niet onderuit: het verschil tussen ou en au en tussen ei en ij. In groep drie leerde ik welke woorden je met een ‘otje-ou’ schrijft en welke met een ‘atje-au’, en welke woorden een ‘korte ei’ hebben en welke een ‘lange ij’. Dat was een hele opgave: ou klinkt immers hetzelfde als au, en ei hetzelfde als ij. Uiteindelijk kennen de meesten de spelling van frequente ou-, au-, ei- en ij-woorden uit hun hoofd, maar taaladviesdiensten als die van Onze Taal hebben niet voor niets pagina’s met beruchte twijfelgevallen als inwijden en uitweiden, en flambouw en nabauwen.

Hoe is het spellingsonderscheid tussen ou en au en tussen ei en ij ontstaan? In dit artikel vertel ik je er alles over en laat ik je in twee video’s horen hoe de uitspraak zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld.

Meerdere schrijfwijzen voor één klank
Er zijn nauwelijks schrijftalen waarin er voor elke klank maar één schrijfwijze is. Met name talen die een conservatieve spelling hebben, hebben veel homofonen: woorden die verschillend worden gespeld maar hetzelfde worden uitgesproken. Denk aan de Franse è en ai, die beide als /ɛ/ klinken. Père (vader) en paire (paar) zijn daardoor homofonen. In het Oudfrans – negenhonderd jaar geleden – werden die woorden nog verschillend uitgesproken: als pè-re /pɛrə/ en pajre /pajrə/.

In het Nederlands hebben we ook zulke gevallen: het onderscheid tussen ou en au en dat tussen ei en ij. Ooit klonken al die tweeklanken verschillend: peil sprak je anders uit dan pijl, en rouw anders dan rauw. Maar hoe? Het is tijd om de geschiedenis in te duiken.

De ou: een vergaarbak
De ou en au hebben een heel verschillende ontstaansgeschiedenis. We kijken eerst naar de tweeklank ou. Die klinkt overigens hetzelfde als er een w op volgt: ouw. Jou en jouw zijn voor sommigen immers niet voor niets zo moeilijk uit elkaar te houden. Ik noem de tweeklank in het vervolg ou(w).

De ou(w) is het resultaat van een samenval van maar liefst zes verschillende West-Germaanse klankcombinaties:

Door de eeuwen heen vielen alle zes de Germaanse klanken uit de tabel samen tot de ou(w)-tweeklank. Hoe klonk die vergaarbak-ou(w) in het Middelnederlands? Als een combinatie van de korte o van kort en een w, fonetisch /ɔu̯/. Het is dus geen toeval dat de tweeklank met een o geschreven wordt.

In bepaalde streektalen bestaan sommige van de verschillen uit de tabel nog. Zo is oud in veel Limburgse en Nedersaksische dialecten nog ald en goud nog gold. Het behoud van die /l/ is een van de belangrijke kenmerken die het Limburgs en Nedersaksisch van het Nederlands en de centrale en westelijke streektalen onderscheiden.

De au
Ook de au(w) heeft verschillende herkomsten. We beginnen met de inheemse herkomsten:

In het Middelnederlands werd de au(w) uitgesproken als een lange aa plus een w, fonetisch /aːu̯/. De tweeklank werd dan ook niet alleen als au(w) geschreven maar ook als aeu(w). Vergelijk de ae in woorden als daer.

In bepaalde streektalen is die Middelnederlandse uitspraak bewaard gebleven. In mijn eigen Midden-Brabants zeggen we bijvoorbeeld graauw, raauw, kaauw en blaauw. Dat zorgt voor een duidelijk onderscheid met de ou(w): rouw is bij ons rouw, maar rauw is raauw.1

Naast de inheemse au-woorden zijn er veel uitheemse gevallen met een au, die op verschillende momenten onze taal binnen zijn gekomen. Denk aan augurk, aureool en pauk. In sommige woorden staat de au voor de oo-klank /oː/, zoals in het uit het Frans ontleende aubade, en bij weer andere woorden komen beide uitspraken voor, zoals bij auto.

De ou en au voor altijd gefuseerd
In het Middelnederlands begon de ou(w) dus met een o-klank en de au(w) met een a-klank. In het Standaardnederlands verdween dat verschil. De o-uitspraak nam de aa-uitspraak over en woorden als vrouw en blauw vielen samen. In de twintigste eeuw raakte die samengevallen tweeklank zelf op drift. Meer daarover later.

In onderstaande video laat ik je de ontwikkeling horen. Op de twintigste-eeuwse en Poldernederlandse uitspraken kom ik aan het eind van het artikel terug. Na de video gaan we eerst naar de ei en ij.

De ei: ook een vergaarbak
Net als de ou is de korte ei het resultaat van een samenval van verschillende klanken. In de afbeelding vind je de belangrijkste herkomsten:

In de variëiten van het Middelnederlands die aan de basis van de standaardtaal liggen, klonk de korte ei als een è plus j: /ɛi̯/. In veel hedendaagse streektalen bestaat die uitspraak nog steeds; in andere is het een eenklank èè /ɛː/ geworden, een ai /ai̯/ of een aai /aːi̯/. Zo heeft mijn dialect klèèn (klein) en praai (prei).

De ij
Nagenoeg alle woorden die nu met de lange ij geschreven worden, komen van de Middelnederlandse langgerekte klinker /iː/. Die klonk als in het hedendaagse woord vieren.

Net zoals we de lange a in gesloten lettergrepen met twee a’s spellen (raam) en in open lettergrepen met één (ramen), spelden ze de lange /iː/ in de Middelnederlandse periode in het algemeen ook op twee manieren: riik (rijk) en rike (rijke). Destijds was de i vaak nog puntloos: ı. Om een dubbele puntloze ıı goed van een u te onderscheiden – Zie je hoeveel ze op elkaar lijken? – gaven ze de tweede ı vaak een haaltje: rıȷke. Daar hebben we de huidige spelling ij aan te danken.

Hoe veranderde die lange /iː/ in onze hedendaagse ij-klank? Ergens voor de zestiende eeuw ‘brak’ de lange /iː/ in tweeën: een ie- en een j-klank, iets als iej. Vervolgens ging het eerste stukje van die iej-klank aan de wandel. Het schoof steeds verder op naar de è van het huidige Standaardnederlands. In onderstaande video laat ik je stapsgewijs horen hoe die ontwikkeling verliep – een ontwikkeling die overigens gelijk opging met die van de ui. Op de fase genaamd Poldernederlands kom ik zoals gezegd later terug.

In het Nedersaksisch, het Fries, het Limburgs, het Zeeuws en het West-Vlaams is de klank dicht bij de middeleeuwse /iː/ gebleven (al is hij vaak verkort tot de ie van Grietje). In bijvoorbeeld het Maastrichts hebben ies, blieve en kieke nog altijd dezelfde lange klinker als in de middeleeuwen. In andere streektalen is de ij juist doorgegroeid. Zo is ijs in het Antwerps s [aˑə̯s] en in het Midden-Brabants èès [ɛːs]. Ook eejs– en ois-achtige uitspraken zijn in ons taalgebied te vinden.

De ei en ij voor altijd gefuseerd
In het Hollands van de zestiende eeuw was de uitspraak van de ij een tweeklank, waarschijnlijk een eej-achtige (fase 3 of 4 in de video). Samengevallen met de korte ei was hij alleen nog niet, want de korte ei was daar op zijn beurt al doorveranderd in een ai-achtige klinker. Dat verschil lijkt op wat je nog in veel streektalen ziet: blij tegenover praai.

Pas in de achttiende eeuw vielen de twee tweeklanken in Holland definitief samen. De ij-uitspraak won. Van Loon (2014, p. 269) vermeldt daarbij: “Ten Kate, die het samenvallen toeschrijft aan de invloed van de schrijftaal, betreurt nog in 1723 dat in Amsterdam, Leiden en Haarlem het onderscheid, dat hij nog op het platteland en bij ouderen had gehoord, verloren was gegaan.” De uitspraak van het Standaardnederlands is geënt op die van de Hollandse spreektaal van de hogere klassen. Vandaar dat we nu geen verschil meer maken.

Nederland en België uit elkaar
Aan het begin van de twintigste eeuw begonnen de ou en au in het Standaardnederlands nog met een o-achtige klinker; de ei en de ij begonnen met een è-klank. Samen met de ui gingen die tweeklanken in de afgelopen eeuw aan de wandel – maar in Nederland op een andere manier dan in België. In Nederland speelt het zogeheten Poldernederlands een rol, in België de tussentaal.

Poldernederlands
In Nederland zijn veel mensen het begin-element van alle drie de tweeklanken met een meer open mond uit gaan spreken. Dat wil zeggen: het begin-klinkertje is op gaan schuiven richting de aa. Die uitspraak heeft taalwetenschapper Jan Stroop het Poldernederlands genoemd.2

Bij veel Nederlanders begint de ou/au nu met de a van bak. Vooral in de Randstad is dat zelfs de aa van vaak geworden. De conservatieve o-uitspraak hoor je nog bij veel Belgen en in de overzeese gebieden.

De uitspraak van het eerste element van de ei/ij schuift ook naar de aa op. Met name in de Randstad hoor je een klank die heel sterk lijkt op de aai in haai. Taalkundige Stroop kwam de verschuiving op het spoor toen hij Trijntje Oosterhuis blaaif baai maai hoorde zingen.

Hieronder vind je nogmaals de ou/au-video en de ij/ui-video. Let nu op de fases Poldernederlands. Daarna kijken we naar België en naar de toekomst.

Tussentaal
In België speelt het Poldernederlands helemaal niet. Daar is de tussentaal een factor van grote betekenis: de informele variëteit van het Nederlands waar veel invloeden van de dialecten en het Frans in zitten. Typisch tussentalig zijn zinnen als:
(1) Kunde gèè de frigo mé uwe camion komen ophalen, of zal da nie gaan?
(Kun jij de koelkast met je vrachtwagen komen ophalen, of gaat dat niet?)

In de tussentaal gaan de ou/au, de ei/ij en de ui een heel andere kant op. Daar worden de drie tweeklanken vaak uitgesproken als lange klinkers. De ou/au klinkt dan als òò, dus fout wordt iets als fòòt [fɔːt], de ei/ij als èè, dus ijs wordt iets als èès [ɛːs], en de ui als in oeuvre, dus bruid wordt iets als broeud [brœːt]. De tussentaal is overigens niet homogeen: sommige sprekers gebruiken heel lichte tweeklanken en andere gewoon de volle standaardtweeklanken. De tussentaal verschilt ook per regio.

De toekomst
Hoe ziet de toekomst van de besproken tweeklanken eruit? Voor taalkundigen is het gevaarlijk om daar uitspraken over te doen. Vergelijk het met het weer: je kunt maar beperkt vooruitkijken, want het weer op de langere termijn is afhankelijk van allerlei onvoorspelbare factoren. De weersverwachtig voor over een uur is stukken betrouwbaarder dan die voor over twee weken.

In Nederland lijkt de Poldernederlandse, aa-achtige uitspraak van de tweeklanken voorlopig nog wel terrein te winnen. Mogelijk verovert ze heel het land, maar dan hebben we het over volgende maand en daar kunnen we geen voorspellingen over doen.

Wat de spelling betreft, is er weinig kans op onweer. Het afschaffen van het spellingsverschil tussen ou en au en tussen ei en ij zou het léren lezen en schrijven op zich ten goede komen. De afschaffing in 1946-47 van het spellingsverschil tussen teekenen en rekenen, boomen en komen (meer daarover hier) en bosch en los heeft de schrijftaal ook gemakkelijker gemaakt. Elk spellingsverschil dat niet op een klankverschil is gebaseerd, maakt een schrijftaal immers gecompliceerder. Daardoor zijn er in Italië minder kinderen met leesproblemen: de Italiaanse spelling is uitermate regelmatig.

Voor wie al kán lezen en schrijven, zou de afschaffing juist helemaal niet handig zijn. Mensen zijn gewend aan het woordbeeld waar ze groot mee zijn geworden. Verandert de spelling, dan moeten ze aan een nieuw woordbeeld wennen en moeten ze vergeten wat ze geautomatiseerd hebben. Dat levert een hoop fouten en frustratie op.

Bovendien: Nederlandstaligen raken in rep en roer als het over spellingswijzigingen gaat. Gelet op recente taalheibel denk ik dat de mobiele eenheid eraan te pas zou moeten komen als de Taalunie ooit het besluit zou nemen om bijvoorbeeld alleen nog ei en au te schrijven. Voorlopig zullen we nog wel in het gezelschap zijn van de otje-ou én de atje-au, en van de korte ei én de lange ij. Het heeft ook wel iets, dat kijkje in het verleden van onze taal.

  1. Niet alle woorden in mijn dialect zijn wat je zou verwachten als je uitgaat van de Nederlandse spelling: houden is bij ons haauwe, en flauw is flouw. Daardoor typ ik per ongeluk weleens flouw in het Nederlands…
  2. Op Stroops website is er meer over te lezen: http://www.janstroop.nl/poldernederlands/

Ver uit elkaar gegroeid

In de zevende eeuw waren de West-Germaanse dialecten zo sterk van elkaar af gaan wijken dat ze onderling nauwelijks meer verstaanbaar waren. Uiteindelijk veranderden ze in het Nederlands, Fries, Duits, Engels en de vele minderheidstalen die de Germaanse wereld rijk is. In de eeuwen waarin ze uit elkaar groeiden, gingen de klanken, de woordvorming, de zinsbouw en de woordbetekenissen alle hun eigen weg. Sommige zusterwoorden zijn al die tijd dicht bij elkaar gebleven, zoals Ne. bal, Fr. bal, Du. Ball en En. ball. Andere verwantschappen zijn bijna onherkenbaar geworden.

Er zijn woordkwartetten die nog best wat op elkaar lijken, maar bij een of meerdere woorden is de betekenis aardig aan de wandel gegaan. Zo betekenen Ne. knecht, Fr. knjocht en Du. Knecht ‘dienaar’, terwijl En. knight erop vooruitgegaan is en ‘ridder’ is gaan betekenen. Andere woorden zijn qua betekenis vrij dicht bij elkaar gebleven, terwijl ze qua vorm juist ver uiteengegroeid zijn: neem Ne. taai, Fr. taai, En. tough en Duits zäh. Bij weer een derde groep zijn de verschillen op alle vlakken groot. Een voorbeeld daarvan is het kwartet Ne. dijk (aarden wal), Fr. dyk (aarden wal; weg), Du. Teich (vijver) en En. ditch (sloot; greppel); tussen die woorden zit intussen een flink hoogteverschil.

In onderstaande vier afbeeldingen vind je vijftien uit elkaar gegroeide kwartetten.

Toen we nog verdubbelden

In het Bahasa Indonesia is een mens een orang en zijn meerdere mensen orang-orang. In het meervoud wordt het woord dus verdubbeld. De taalkundige naam van zo’n verdubbeling is reduplicatie. In het Nederlands hebben we ook gevallen van reduplicatie, zoals blabla, dingdong, tiktak en iets blauwblauw laten, maar zulke woorden verschillen van orangorang. In het Indonesisch heeft de reduplicatie namelijk een grammaticale functie: je zet er een woord mee in het meervoud. In het Nederlands heeft reduplicatie geen grammaticale functie – op één geval na, een millennia-oud restje: deed en deden, de verleden tijd van doen. In dit artikel vertel ik je alles over reduplicatie bij ons en bij de buren en kijken we naar de herkomst van deed en deden.

Reduplicatie bij de buren
Er zijn verschillende manieren van redupliceren. In de Indonesische meervoudsvorm orang-orang wordt bijvoorbeeld het hele woord herhaald. In onze woorden dingdong en tiktak heeft het herhaalde woord een andere klinker. De vorm van reduplicatie die aan de basis van deed ligt, is weer anders. Om die vorm goed te begrijpen, moeten we terug naar het Proto-Indo-Europees, de gereconstrueerde verre voorouder van onder andere de Germaanse taalfamilie, de Romaanse en het Grieks. Het Proto-Indo-Europees moet tot in het derde millennium voor Christus zijn gesproken. We hebben het dus over meer dan vierduizend jaar geleden.

In het Proto-Indo-Europees was reduplicatie een middel om een bepaalde betekenis aan een werkwoordstam te geven, waaronder die van voltooidheid. Een werkwoordsvorm met reduplicatie had de volgende structuur:

beginmedeklinker + tussenklinker + werkwoordsvorm

Die formule is vrij abstract, dus we zullen eens kijken naar voorbeelden uit de dochtertalen. Voordat we naar het Germaans gaan, kijken we even bij zijn Indo-Europese familieleden in het zuiden: het Oudgrieks en het Latijn.

In het Oudgrieks werd reduplicatie gebruikt om van veel werkwoorden het perfectum te maken. Het perfectum was een werkwoordstijd waarmee je het resultaat van een handeling benadrukte. Neem γράφει oftewel gráphei (ze schrijft; tekent), een woord dat bekend is van grafisch en fotograaf (letterlijk ‘lichttekenaar’). Om van gráphei het perfectum te maken, start je met de beginmedeklinker g; daarop volgt de tussenklinker –e– en tot slot komt de werkwoordsstam met de uitgang: γέγραφε oftewel gégraphe (ze heeft geschreven; getekend). In het moderne Grieks zijn die perfectumvormen vervangen door constructies met het hulpwerkwoord hebben.

Het Latijn had ook gevallen van reduplicatie bewaard, maar wel een stuk minder. Het perfectum was samengegaan met een verleden tijd, en bij nog geen dertig werkwoorden had de nieuwe combiwerkwoordstijd vormen met reduplicatie. Voorbeelden zijn momordit (ze beet; heeft gebeten) bij mordet (ze bijt), cucurrit (ze rende; heeft gerend) bij currit, en dedit (ze gaf; heeft gegeven) bij dat (ze geeft). In de meeste Romaanse talen is daar niets van over. Het Italiaans heeft nog één relict: dedit is veranderd in diede. De twee andere genoemde werkwoorden zijn gerenoveerd, net als de rest: morse en corse.

Reduplicatie bij ons
Het Proto-Germaans had maar één verleden tijd. Ze vloog, heeft gevlogen, had gevlogen, was aan het vliegen – voor al die betekenissen was er maar één verledentijdsvorm: *flaug. De vormen van die multifunctionele verleden tijd stamden af van het oorspronkelijke perfectum en vertoonden daardoor bij bepaalde werkwoorden reduplicatie.

Die reduplicatie ging op dezelfde manier als bij de besproken zustertalen. Drie voorbeelden: bij *fallidi (ze valt) hoorde *fefall (ze viel; is/was gevallen), bij *haldidi (ze houdt) hoorde *hehald (ze hield; heeft/had gehouden) en bij *slēpidi (ze slaapt) hoorde *seslēp (ze sliep; heeft/had geslapen). Soms veranderde de stamklinker: bij *rēdidi (raadt aan) hoorde *rerōd in het enkelvoud en *rerdun in het meervoud. In het Gotisch, de vroegst-geattesteerde Germaanse dochtertaal, vinden we volop voorbeelden van reduplicatie.

Door de eeuwen heen verdween deze vorm van reduplicatie geheel uit de Germaanse talen. De reduplicerende werkwoorden werden ‘normale’ sterke werkwoorden met een speciale verledentijdsklinker. Uit de klinker die de reduplicatie van *fefall, *hehald, *seslēp en *rerōd verving, ontstond de ie die we nu in viel, hield, sliep en ried hebben (al is ried nu gewoonlijk zwak: raadde).

Het Oudengels had nog een paar restjes van reduplicerende verleden tijden. Een daarvan was de verleden tijd van de voorloper van to read (aanraden; lezen), de evenknie van ons raden. Tegenover de Oudengelse tegenwoordige tijd rǣtt (ze raadt aan; leest) stond de verleden tijd reord (ze raadde aan; las), die van *rerd– kwam. Later werd dat relict vervangen door een vorm die veranderde in het huidige read (uitgesproken als red). Ook de andere overblijfsels overleefden het niet.

Deed
Tijd om naar deed te gaan. Van welke Proto-Indo-Europese werkwoordstijd de vorm precies afstamt, is niet helemaal zeker, maar wat vaststaat is dat deed het laatste restje van reduplicatie in de huidige West-Germaanse talen is.

In het Proto-West-Germaans had de voorloper van deed de vorm *dedē.1 Daar was de reduplicatie nog goed in te herkennen. In de Germaanse dochtertalen veranderde dat, onder andere doordat de uitgang afsleet. Op onderstaande afbeelding zie je hoe did, deed en tat zich uit het Proto-West-Germaans hebben ontwikkeld. De Duitse vorm tat komt van de Middelhoogduitse meervoudsstam tāt-, die afstamde van de West-Germaanse meervoudsstam *dēd-. De enkelvoudstam met een e verdween. De West-Germaanse meervoudsstam was ook de herkomst van de Oudnederlandse a-variant dāde, die nu verdwenen is.

Na de afbeelding vertel ik over talen waaruit dit laatste spoortje van reduplicatie verdwenen is doordat de evenknie van deed grondig is gerenoveerd: het Fries en andere West-Germaanse minderheidstalen in de Lage Landen.

Grondige renovatie
In het Fries heeft de verleden tijd van dwaan, de evenknie van doen, zich aangesloten bij een patroon dat ook andere veelgebruikte werkwoorden hebben: die (spreek uit: dië [diə̯]) naar analogie van stie (stond), gie (ging) en wie (was). Alleen de begin-d is dus nog oorspronkelijk.

In bepaalde kleine Germaanse talen die niet de rechten van het Nederlands en Fries hebben gekregen – ook wel dialecten geheten – verdween de eind-d. Zo hebben we het Zwolse dee en het Antwerpse dee. D-loos zijn ook het West-Brabantse deej, het Venlose dej, het Wellse deuj en Drentse vormen als dea, die, deu en do.

In andere dialecten ontstond er een andere eindmedeklinker. Zo heeft het Maastrichts deeg en doog (volgens mij naar analogie van vormen als kreeg en vloog), het Westfries dein (een verouderde vorm naast het gebruikelijke dee) en het Zaans daan en dene (intussen zo goed als verdwenen vormen). In veel Oost-Brabantse dialecten is de verleden tijd din.2

In al deze talen is het laatste restje van reduplicatie voorgoed verdwenen en zo is er een einde gekomen aan een millennia-oud mechanisme.

  1. Bammesberger (1986, p. 112-113) bespreekt twee theorieën:
    (1) Deed komt van het oorspronkelijke imperfectum dʰédʰeh₁t. In dat geval stamt deed van het Proto-Germaanse vorm *dedē af.
    In het Oudgrieks was zowel de tegenwoordige tijd *dʰédʰēh₁ti bewaard in de vorm τíθησι oftewel títhēsi (ze zet) als het imperfectum *dʰédʰēh₁t in de vorm ἐτíθει oftewel etíthei (ze zette). Etíthei zou dan dus de directe evenknie van *dedē zijn. (In het Oudgrieks had het werkwoord de betekenis zetten, een betekenis die het in het Proto-Indo-Europees naast doen gehad moet hebben.)
    (2) Deed komt van het oorspronkelijke perfectum, net als de eerder besproken verledentijdsvormen als *fefall (viel). Het Proto-Indo-Europese *dʰédʰōh₁e zou dan in het Proto-Germaans *dedō zijn geworden.
  2. Er is geen literatuur over de ontwikkeling van deze Oost-Brabantse vorm. Daarom hier twee eigen theoriën:
    (1) In veel Brabantse dialecten is de klank /j/ een optionele uitgang voor de eerste en derde persoon geworden, doordat ze heej /ɦɪj/ (ze heeft, ontstaan uit hee < heet < hevet) de /j/-loze variant ze hi /ɦɪ/ had gekregen. In onder andere mijn dialect zijn heej en hi varianten, waarbij hi vooral vóór medeklinkers wordt gebruikt. Later werd heej opgevat als hi+j, want de klinker voor de /j/-klank klinkt nagenoeg hetzelfde als de i van pit /pɪt/. De /j/ werd toen dus een soort uitgang. Naast heej en hi ontstonden onder andere in mijn dialect de varianten ze gòi bij , ze ziej bij zie, en ze doei bij doe. Op een bepaald moment is ook de verleden tijd deej /dɪj/ opgevat als di+j. In dialecten als het Tilburgs ontstond toen de verledentijdsstam di /dɪ/. Stammen die op een klinker eindigen, hebben in de dialecten in kwestie in het meervoud een n, zoals ook het Nederlandse gaan tegenover ga. Zo ontstond naast ze di de meervoudsvorm ze din (ze deden). Dat paar is te vergelijken met onder andere ze zo /zʊ/ (ze zou) en ze zon /zʊn/ (ze zouden). Het Tilburgs is in die di-fase gebleven, maar in veel andere dialecten is de meervoudsvorm din geheranalyseerd als stam. De enkelvoudsvorm werd daardoor ze din (ze deed) en de meervoudsvorm ze dinne (ze deden). Parallelle vormen zien we bij zin (zei) en stin (stond), in bepaalde dialecten ook gin (ging) en krin (kreeg).
    (2) Een alternatieve verklaring vinden we bij de vorm stin. Naast de alomtegenwoordige vorm ston (stond min de d) hebben veel Brabantse dialecten de vormen stong en sting, die waarschijnlijk zijn ontstaan naar analogie van vong en ving en gong en ging. Het kan zijn gebeurd dat sting is gemixt met ston, en ook dát zou dan stin op hebben geleverd, waar din, zin en andere vormen zich dan weer bij aansloten.

Weten is gezien hebben

Lang geleden was er eens een driekoppige Proto-Indo-Europese woordstam die zien betekende. Elke kop ging zijn eigen weg in de dochtertalen en kreeg nageslacht. Duizenden jaren later en tientallen taalgeneraties verder waren de kinderen van de kinderen van de driekoppige woordstam zo veel van elkaar gaan verschillen qua vorm en betekenis, dat ze bijna niet meer als familie werden herkend.

De driekoppige woordstam is *wid-, *weid-, *woid-. Onderstaande afbeeldingen tonen onder andere de nakomelingen weten, wijs, wet, gewis, visioen, historie, idool, idee en video. Verderop vertel ik nog iets over de vorm- en betekenisontwikkelingen die in deze woordenfamilie hebben plaatsgevonden.

Driekoppige woordstam: ablaut
De gereconstrueerde Proto-Indo-Europese woordstam is *wid-, *weid-, *woid-. De vorm *wid- is de zogenoemde nultrap, een basisvorm zonder extra klinker. *Weid– is de e-trap en *woid- de o-trap. Elk van de stammen met zijn afleidingen heeft in bovenstaande afbeeldingen zijn eigen kleur.

De e en o van *weid- en *woid- verschijnen dus binnen in de stam en niet als uitgang erachter. We noemen deze vorm van klinkerwisseling ablaut. In het Proto-Indo-Europees was ablaut alomtegenwoordig en werd het gebruikt om nieuwe afleidingen van een woord te maken, maar nu hebben de dochtertalen er alleen restjes van over.

Het duidelijkste overblijfsel van ablaut vinden we bij de sterke werkwoorden: de verschillen tussen nemen, nam, namen en genomen, tussen rijden, reed en gereden en tussen vliegen, vloog, gevlogen zijn het gevolg van ablaut. Ablaut vinden we ook in hoen tegenover haan, wraak tegenover wreken, en kan tegenover kunnen.

Van weten tot zien
De oorspronkelijke betekenis van *wid-, *weid-, *woid- moet zien geweest zijn. Die betekenis is bewaard gebleven in onder andere het Latijnse werkwoord vidēre (wie-dèè-rè /wiˈdɛːrɛ/) en zijn Romaanse nazaten. Van de ikvorm videō (ik zie) komt ons woord video. De tegenwoordige tijd is afkomstig van de stam *wid-; de verleden tijd vī (bekend van vēnī, vī, vīcī) komt van *woid-.

Het Proto-Indo-Europees had een werkwoordstijd die wij nu niet meer kennen: het perfectum. Met die tijd benadrukte je het gevolg van iets wat in het verleden was gebeurd. Een voorbeeld: het gevolg van vallen is op de grond liggen. In het Proto-Indo-Europees had het perfectum van het werkwoord voor vallen dus de betekenis op de grond liggen na een val. Een gevolg van gezien hebben is weten: als je gezien hebt wat er is gebeurd, weet je wat er is gebeurd. Dat is dan ook de betekenis die *wait kreeg, de Proto-Germaanse nakomeling van de perfectumvorm *wóydh₂e. Van *wait stamt onze ikvorm ik weet af. De tegenwoordigetijdsvormen die bij *wait hoorden, zijn verloren gegaan. *Wait is dus een eigen leven gaan leiden als nieuwe tegenwoordige tijd.

Onherkenbaar Grieks
De eerste persoon meervoud van *wait was *witum, van de ablautende vorm *wid-. In het Nederlands is het klankverschil daartussen verdwenen, want weet en weten hebben nu dezelfde e-klank, maar in het Duits is het verschil nog bewaard: ich weiß versus wir wissen. Dat geldt ook voor het Engelse I wot versus we wit – maar dat werkwoord is op sterven na dood.

De Oudgriekse tegenhangers waren οἶδα (da) en ἴσμεν (ísmen). Nee, die zijn niet bijzonder goed herkenbaar, maar als je bedenkt dat oîda van *woîda kwam en ísmen van wídmen, dan lijken ze ineens een stuk meer op de Germaanse vormen *wait en *witum. Het Oudgrieks was zijn /w/-klank verloren en dat is een verandering die verwantschappen slecht herkenbaar maakt.

Een ander voorbeeld van een w-loos woord is ἔργον (érgon: werk), waarvan ons woord ergonomie (letterlijk: arbeidsleer) is afgeleid. Het is verwant aan werk: beide komen van het Proto-Indo-Europese *wérgom.

Er is nog veel meer te vertellen over de onderwerpen die ik in dit artikel heb aangeroerd, maar dat bewaar ik voor een volgende keer.

Een nieuwe toekomst

In de vijfde klas van het vwo gaf onze docente Frans ons een ezelsbruggetje voor het leren van de vormen van de toekomende tijd. Ze vertelde dat die lijken op een combinatie van het hele werkwoord met avoir (hebben). In elle chanterai (ze zal zingen) en elles chanteront (ze zullen zingen) zitten dus chanter (zingen) en de vormen a (heeft) en ont (hebben).

Zo werkt het ook in andere Romaanse talen, zoals het Italiaans, het Spaans en het Portugees. Is dat toeval? Zeker niet. In dit artikel vertel ik hoe die Romaanse talen aan hun toekomende tijd zijn gekomen en welke rol het werkwoord hebben daarbij heeft gespeeld.

Een ondoorzichtig systeem
Voordat we naar de Romaanse toekomende tijd gaan, moeten we even terug naar het Latijn van de eerste eeuw voor Christus. In het klassieke Latijn, de gecultiveerde literatuurtaal, zijn er vijf groepen werkwoorden. Hoe de toekomende tijd gemaakt wordt, hangt af van de groep. Een beknopt overzicht:

Sommige vormen zitten aardig dicht bij die van de tegenwoordige tijd in de rechterkolom. Daarnaast hebben de werkwoorden esse (zijn) en posse (kunnen) onregelmatige vormen die geen van bovenstaande patronen volgen: erit (ze zal zijn) en poterit (ze zal kunnen). Dat alles maakt het systeem vrij gecompliceerd. Bedenk dat wij in het Nederlands gewoon bij elk werkwoord de hulpwerkwoorden zullen en gaan kunnen gebruiken.

Roet in het gecompliceerde eten
Klankveranderingen kunnen werkwoordsvervoegingen op losse schroeven zetten. Door klankveranderingen kunnen vormen namelijk hetzelfde gaan klinken, wat niet handig is. Het is precies wat er in het gesproken Latijn van de eerste eeuw na Christus begon te gebeuren, het Proto-Romaans. Er vonden twee veranderingen plaats die roet in het eten van de toekomende tijd gooiden.

Ten eerste viel de onbeklemtoonde korte e (/ɛ/ als in pet) samen met de onbeklemtoonde korte i (die in de spreektaal voorheen had geklonken als [i̞], ongeveer als onze /ɪ/ in pit): ze gingen allebei klinken als de /e/ die je bijvoorbeeld in het Franse révolution hoort. Inscripties laten zien dat mensen ze in de spelling verhaspelden, zoals Nederlandstaligen de ij en de ei weleens verwarren. We vinden bijvoorbeeld lebes voor levis (licht) en avetat voor habitat (woont). Deze samenval had gevolgen voor de toekomende tijd. Hij zorgde er namelijk voor dat vormen als dīcet (ze zal zeggen) en dīcit (ze zegt) in de gesproken taal niet meer te onderscheiden waren. (Beider uitspraak werd [diːkʲet].)

Een tweede onfortuinlijke samenval was die van de b en de v. Oorspronkelijk klonk de b als onze /b/ van baai, en de v als de Engelse /w/ van wine, maar in de eerste eeuw vielen ze tussen klinkers samen tot een /β/, een medeklinker die voor Nederlandse oren tussen een b en een w in zit. De eerdere voorbeelden illustreerden die samenval al: er wordt lebes voor levis geschreven en vice versa avetat voor habitat. Voor de toekomende tijd was deze samenval onhandig: cantābit (ze zal zingen) klonk voortaan hetzelfde als cantāvit (ze heeft gezongen).

Oplossingen: willen en moeten
Klankveranderingen hadden de toekomende tijd dus nog problematischer gemaakt. In het Proto-Romaans ontstond daardoor de behoefte aan duidelijkere manieren om de toekomende tijd uit te drukken. Er kwamen verschillende oplossingen. In wat volgt, hanteer ik gereconstrueerde Proto-Romaanse vormen.

Een van de oplossingen was het gebruik van het hulpwerkwoord volēre (willen). Mensen gingen bijvoorbeeld volet cantāre zeggen, letterlijk ze wil zingen. Vergelijk de Engelse toekomende tijd she will sing, die op een vergelijkbare manier is ontstaan. In Oost-Romaanse talen is dat gebruik de standaard geworden. In het Roemeens zeg je bijvoorbeeld va cânta.

Op het eiland Sardinië gebeurde er iets anders: daar kwam onder andere het werkwoord dēbēre (moeten) in gebruik: dēbet cantāre, letterlijk ze moet zingen. In het hedendaagse Sardijns is dēbet cantāre veranderd in depet cantáre. (Ja, het Sardijns is erg weinig veranderd.) Ook in Latijnse teksten in het hedendaagse Frankrijk zijn dergelijke constructies aangetroffen, wat laat zien dat ze niet exclusief Sardijns waren. Vergelijk dat moeten-hulpwerkwoord overigens met ons eigen zullen, dat in het Germaans moeten betekende (en in zinnen als Zal ik de dokter bellen? nog steeds).

In de andere Romaanse standaardtalen en minderheidstalen heeft een andere oplossing voet aan de grond gekregen: habēre (hebben) plus het hele werkwoord.

Hebben te
Al in het klassieke Latijn van Cicero kom je habēre-constructies tegen. Daarin heeft habēre de betekenis moeten. Dat gebruik is goed te vergelijken met Nederlandse constructies met hebben te:
(1a) Hij had veel te zeggen.
(1b) Je hebt het maar te doen!
(1c) Ik heb nog vier wassen te draaien.
Een voorbeeld uit Cicero’s Acadēmicae Quaestiōnēs 21:
(2) De (…) somniīs quid habēmus dīcere? (Wat moeten we over dromen zeggen?)
Ook later, in de Latijnse bijbelvertaling die de Vulgaat wordt genoemd (eind vierde eeuw n.C.), komt dat gebruik voor (Lucas 7:40):
(3) Simōn, habeō tibi aliquid dīcere. (Simon, ik moet je iets vertellen.)

Al in de derde eeuw na Christus vinden we ook gevallen waarin habēre alleen zullen kan betekenen en die de gesproken taal weerspiegelen. In de volgende zinnen wordt de toekomende tijd bijvoorbeeld duidelijk tegenover de verleden en tegenwoordige tijd gezet:
(4) (…) dīcentēs rēs aut factās esse aut habēre fierī. (En ze zeggen dat de dingen ofwel gedaan zijn ofwel gedaan zullen worden.) (Sacerdos, Ars Grammatica.)
(5) Cod estis fuī en quod sum essere abētis. (Wat jullie zijn, was ik, en wat ik ben, zullen jullie zijn.) (Diehl 1961: 3865) (De klassieke vormen waren overigens esse habētis.)

Aanvankelijk was habēre nog gewoon een hulpwerkwoord, maar uiteindelijk smolt het samen met het hele werkwoord tot één vorm.2 Zo ontstond een nieuwe werkwoordstijd. Zo’n proces heet grammaticalisatie. Hieronder kijken we hoe de samensmelting verliep.

Een versleten hulpwerkwoord
Woorden die veel worden gebruikt, slijten harder dan andere. Dat gold ook voor het frequente werkwoord habēre. Door slijtage werden zijn vormen sterk gereduceerd. (De uitspraak van de /h/ was trouwens al in de tijd van Cicero een zeldzaamheid.)

In de nieuwe toekomende tijd ging de reductie nog iets verder: het stuk aβ- viel weg in de twee meervoudsvormen. Verder bleven de vormen gelijk aan die van het losstaande werkwoord. In de zevende eeuw vinden we in een Latijnse tekst de vorm daras (je zult geven). In de oudste Franse tekst, uit de negende eeuw, treffen we de vormen salvarai (ik zal bijstaan) en prindrai (ik zal nemen) aan.4

Ook het hele werkwoord wordt in bepaalde gevallen gereduceerd: tegenover het Spaanse decir (zeggen) staat bijvoorbeeld de stam dir-: dirá. En in het Frans klinkt chanter- in chantera als chantr-.

In onderstaand schema kun je de toekomende tijd van de vier grootste Romaanse talen met de hebben-werkwoorden vergelijken. Daarna ga ik in op het Portugees, dat een bijzondere eigenschap bewaard heeft.

Negeer de letter h, die niets met de uitspraak te maken heeft, en de accenten, die er puur staan voor de klemtoon. In het Portugees is het hebben-werkwoord haver zeldzaam geworden; ook in het Spaans is het gebruik mettertijd beperkter geworden.

Samengesmolten – of toch niet helemaal?
In het Frans, Italiaans en Spaans5 zijn de hebben-werkwoordsvormen geheel samengesmolten met het hele werkwoord. Er is geen speld meer tussen te krijgen. In het Portugees is dat niet helemaal waar. Onbeklemtoonde persoonlijke voornaamwoorden, clitica genaamd, kunnen nog altijd tussen het hele werkwoord en de uitgang geplaatst worden. Dat wordt mesoclisis genoemd:
(6) Cantar-te-á uma canção. (Ze zal een lied voor je zingen.)
(7) Dir-lhe-ei o que penso. (Ik zal hem zeggen wat ik denk.)

Bij ‘nog altijd’ moet ik wel een kanttekening plaatsen: mesoclisis is de standaard in de schrijftaal maar geldt als zeer formeel in de spreektaal. Cantar-te-á (ze zal voor je zingen) wordt gewoonlijk vervangen door vai-te cantar (ze gaat voor je zingen). Met de Braziliaanse politicus Michel Temer is vaak de spot gedreven omdat hij erom bekendstaat dat hij nog wél mesoclisis gebruikt als hij praat. Daar zijn zelfs YouTube-video’s, krantartikelen en memes over gemaakt (zoals in tweeën gescheurde Temers en foto’s met teksten als impichar-me-ão? (gaan jullie me impeachen?).6

De toekomst van de toekomst: verversing
Toekomendetijdvormen als elle chantera zijn dus ontstaan als heldere vervangers van eerdere vormen. Maar intussen, zo’n tweeduizend jaar na hun geboorte, beginnen ze zélf vervangen te worden in veel Romaanse talen. Er vindt dus een nieuwe verversingsronde plaats.

In het Italiaans staat de toekomende tijd nog sterk. In plaats van canterà kun je de tegenwoordige tijd canta gebruiken, maar die vormt geen bedreiging. In het Frans, Spaans en Portugees is het een ander verhaal. Daar zijn nieuwe constructies ontstaan met het werkwoord dat gaan betekent, in het Spaans in combinatie met a (te):
(8a) Frans: Elle va chanter.
(8b) Spaans: Va a cantar.
(8c) Portugees: Vai cantar.

Voor zover ik de talen ken, komen deze gaan-constructies in de spreektaal meer voor dan de eigenlijke toekomendetijdvormen. Uit het informele Braziliaans-Portugees is de toekomende tijd zelfs nagenoeg verdwenen.

De conditionalis: iets meer hoop
Naast de zogenoemde tegenwoordige toekomende tijd ontstond in de Romaanse talen ook de verleden toekomende tijd, die vaak de conditionalis genoemd wordt. Ze zou zingen zou je in het Italiaans vertalen als canterebbe (van cantāre habuit), in het Frans als chanterait, in het Spaans als cantaría en in het Portugees als cantaria (alle drie van cantāre habēbat). Die werkwoordstijd lijkt iets sterker te staan dan de toekomende tijd, al komen omschrijvingen met het gaan-werkwoord – vooral als het gaat om de toekomst gezien vanuit het verleden – ook veel voor in de laatste drie talen: elle allait chanter, ia a cantar, ia cantar. Vaak wordt ook gewoon de verleden tijd gebruikt, zoals in het Portugees:
(9) Se viesse, estava muito feliz (i.p.v. estaria). (Als hij zou komen, zou ik erg blij zijn.)
In de gevallen waarin de conditionalis een modale betekenis heeft, zoals bij ons in constructies als ik zou willen, staat hij wat sterker. Denk aan vormen als je voudrais (Frans), querría (Spaans) en gostaria (Portugees).

Tot slot
In onderstaande afbeelding is de ontwikkeling van de toekomende tijd samengevat:

  1. De Latijnse zinnen komen uit Alkire & Rosen (2010).
  2. In het Sardijns bestaat naast de besproken moeten-constructie ook een constructie met het werkwoord voor hebben, maar die verschilt van die van de andere Romaanse talen: at a cantáre (van habet ad cantāre) vs. Italiaans canterá. Het Portugees en het Spaans hebben naast de toekomende tijd ook de constructie ha de cantar (van habet dē cantāre), die wat het Portugees betreft in Portugal gebruikelijker is dan in Brazilië.
  3. Deze vorm komt uit een stuk van Pseudo-Fredegarius (zevende eeuw) over de oorlog tussen keizer Justinianus en de Perzen. In een anekdote wordt verteld dat de Perzische koning zijn territorium niet aan Rome wilde afstaan en daarom zei: Non dabo (ik zal het niet geven). Justinianus zou hebben geantwoord: Daras (je zult het geven), en dat was meteen de verklaring voor de naam van het dorp Daras, waar het gesprek plaatsvond. Het feit dat de schrijver ervoor koos om daras te schrijven en niet dare habes, lijkt erop te wijzen dat hij de Romaanse toekomendetijdvorm voldoende vond afwijken van dare habes om hem te spellen als het samengetrokken daras. (Kerkhof, P.A. (2018). Language, law and loanwords in early medieval Gaul: language contact and studies in Gallo-Romance phonology, p. 89, geraadpleegd op https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/handle/1887/66116)
  4. Beluister de vormen in deze video en zie verder het bijbehorende artikel:
    https://youtu.be/hj14HliUHOQ
    https://taalaandewandel.wordpress.com/2021/02/13/het-oudste-frans/
  5. In het Spaans bestond mesoclisis nog tot in de zestiende eeuw.
  6. O.a. deze video’s en artikelen (in het Portugees):
    https://www.youtube.com/watch?v=VHLyEUDRP9w
    https://www.youtube.com/watch?v=FP0WWMrOV7M
    http://g1.globo.com/sao-paulo/noticia/2016/09/apos-memes-temer-diz-que-nao-vai-usar-mais-mesoclise.html
    https://novaescola.org.br/conteudo/5026/a-mesoclise-de-temer-e-um-instrumento-de-exclusao
    Zoek voor memes op michel temer mesoclise.

De x van faux, voix en prix

Typisch voor het Frans is de x op het eind van allerlei woorden: faux, voix, eux, beaux, prix. Hij wordt niet uitgesproken als /ks/, de klank van onze eigen letter x, en in de Latijnse woorden waar de Franse x-woorden vandaan komen, zat ook geen x: faux komt bijvoorbeeld van falsum (vals) en voix van vōcem (stem). Hoe is die x dan in die woorden terechtgekomen?

Ruimte besparen
In het Oudfrans eindigden aardig wat woorden op -us. De u stond voor een /w/-klank die was ontstaan uit een Latijnse /l/. (Die verandering kun je vergelijken met wat sommige Nederlanders doen met een /l/ op het lettergreepeind: bel is bij hen iets als bew.) In het Oudfrans was het Latijnse falsum bijvoorbeeld via de tussenstap fals veranderd in faus. Dat woord werd uitgesproken als /faws/. Op dezelfde manier was illōs via els in eus veranderd, dat als /ews/ klonk. De au en eu waren dus nog tweeklanken en de s werd uitgesproken.

Tegelijkertijd bestond er de gewoonte om in Latijnse teksten -us te vervangen door een -x. De uitgang -us komt namelijk veel voor in het Latijn en schrijvers hadden allerlei manieren om frequente woorddelen af te korten. Op die manier konden ze namelijk kostbare ruimte besparen. Het woord bonus (goed) kom je bijvoorbeeld tegen als bonx. Die x was dus een symbool dat je enigszins kunt vergelijken met de % voor procent.

Omdat Franse schrijvers zo gewend waren aan die afkortings-x, gingen ze hem ook gebruiken in het Frans (ondanks dat -us in die taal geen uitgang was maar toevallig onderdeel van combinaties als -aus, -eus en -ous). In plaats van faus en eus gingen ze dus ook fax en ex schrijven.

Monstrueuze kruisingen
X-afkortingen hadden wel een nadeel: ze maakten woorden slechter herkenbaar. Fax en ex doen nou niet meteen denken aan de uitspraken /faws/ en /ews/. Om de woorden beter herkenbaar te maken voegden mensen de u weer toe: faux en eux. Zulke spellingen waren dus kruisingen van de uitgeschreven en de afgekorte vorm.1

In het Middelfrans ontstonden ook allerlei monstrueuze kruisingen met Latijnse woorden. Zo werden falsus en fa(u)x weleens gecombineerd tot faulx of falx, en illos en e(u)x tot eulx of elx. In die periode schiep men wel meer verlatijnste gedrochten: pois (gewicht) werd poids omdat men dacht dat het woord van pondus afkomstig was (terwijl het van pēnsum kwam), seur (zus) werd veranderd in sœur om het wat op soror te laten lijken, en savoir werd een chimaera van sapēre (het herkomstwoord) en scīre (een compleet ander woord voor ‘weten’): sçapvoir. Aan dat soort fratsen hebben we ook de achternaam Lefebvre te danken, een combinatie van le fèvre en het Latijnse stamwoord faber (handwerksman).

Op de afbeelding zie je voorbeelden van hedendaagse x-woorden en hun voorgangers. Daarna kijken we naar woorden als paix, voix en prix, want die hebben een andere geschiedenis.

De versieringen van paix, voix en prix
In woorden als faux is de x dus een restje van een afkorting. Maar hoe zit het dan met de x in paix, voix en prix? Die woorden hebben nooit -us gehad. Hun x is puur Latijnse opsmuk.

In het Oudfrans hadden de woorden de vormen paiz, voiz en priz, uitgesproken als /pajts/, /vojts/ en /prits/. Ze waren afkomstig van de vierdenaamvalsvormen pācem, vōcem en pretium. Later veranderde de uitspraak /ts/ in /s/ en werd de z vervangen door een s: pais, vois en pris. In die fase hebben wij onze woorden pais (in de verbinding pais en vree) en prijs (< priis) ontleend, en de Engelsen voice.

In de periode van het Middelfrans kwamen de spellingkunstenaars weer voor de dag. Ze wilden pais en vois op de Latijnse voorgangers laten lijken en voegden de x uit de eerstenaamvalsvormen pāx en vōx toe. Zo schiepen ze paix en voix. Die x werd gewoon uitgesproken als een /s/ en de x was dus niet meer dan een versiersel. De uitspraak met de /s/ verdween later. Zo zijn er nog meer woorden, zoals croix (van de vorm crucem, maar gelijkend gemaakt op de vorm crux) en noix (nucem en nux).2

In de vorige alinea heb ik het niet over prix gehad. Dat woord had namelijk geen voorganger met een x: in het Latijn was het pretium. De x in prix is geboren uit analogie: prix kreeg een x omdat woorden als paix en voix er ook een kregen. Denk ook aan het telwoord dix, dat van decem komt, tegenover six, dat van sex komt.3

  1. In werkwoordsvormen van de tweede persoon enkelvoud, zoals tu peux, tu veux en tu vaux, is de x terechtgekomen zoals beschreven: puez, vueus en vaus veranderden in peus, veus en vaus en kregen via de afkortingen pex, vex en vax hun huidige x-vorm. In vormen van de eerste persoon, je peux, je veux en je vaux, is de x daarentegen naar analogie van de tweede persoon ingevoerd in de periode waarin de /s/ niet meer klonk en de x dus puur een spellingsaangelegenheid was. In het Oudfrans waren de vormen nog jeo puis, jeo vuel/vueil/voil en jeo val/vail. De vorm puis bestaat nu nog als formeel alternatief voor peux.
    Ook eerstepersoonsvormen als je dis en je fais zijn gekopieerde tweedepersoonsvormen. Ze vervingen de Oudfranse vormen je di en je fai/faz.
  2. Wat daarbij ook meegespeeld zal hebben, is dat de letter x in de Franse uitspraak van het Latijn een /s/ was geworden. Voor wie het Latijn las, waren de s en de x dus twee verschillende letters voor één en dezelfde klank geworden. Een spelling als croix voor crois riep dus geen associatie met een andere klank dan /s/ op.
  3. In six en dix klinkt de /s/-klank overigens nog als je de woorden los gebruikt; voor medeklinkers valt hij weg en voor klinkers wordt hij een /z/:
    six /sis/
    six jours /si ʒur/
    six heures /si‿zœr/

Hoe de d in geschiedenis kwam

In het Middelnederlands hadden de woorden geschieden, spieden en bevrijden nog geen d. De d die er nu in zit, is het gevolg van hypercorrectie: een fout die ontstaat door angst voor een fout. Hoe is dat precies gegaan? In dit artikel leg ik het uit en vertel ik alles over een eigenschap die het Nederlands van het Engels en het Duits onderscheidt.

Een d tussen klinkers
In het vroege Middelnederlands waren er twee soorten d’s. De ene d was dubbel. Die sprak je daadwerkelijk dubbel uit, of – beter gezegd – lang, zoals in de Engelse combinatie bad day of in het Italiaanse freddo. Zo’n lange d kwam alleen na korte klinkers voor, zoals in bedde /bɛddə/ (bed). Later werd die lange d verkort, maar de spelling bleef dubbel. Daardoor schrijven we nu nog steeds bedden, midden en vodden, terwijl we exact dezelfde /d/ uitspreken als in roedel.

De andere d was een enkelvoudige /d/. Die kwam juist alleen na lange klinkers en tweeklanken voor, zoals in quade /kwaːdə/ (kwade), den /riːdən/ (rijden), gouden /ɣɔu̯dən/ en broeder /bruə̯dər/.

In het late Middelnederlands gebeurde er iets bijzonders met die enkelvoudige /d/: hij begon weg te vallen en dat gebeurde op verschillende manieren. De verandering is in het Standaardnederlands nooit voltooid en er zijn nog altijd dubbelvormen: de oude en de nieuwe vorm naast elkaar.

De /d/ valt weg
In het hele taalgebied waren er woorden waar de /d/ gewoon uit verdween. Hij nam de daaropvolgende stomme e /ə/ met zich mee. Van dit soort woorden zijn er drie groepen.

In de afbeelding hieronder vind je voorbeelden van groep 1. Deze groep bestaat uit woorden die hun oude d-voorganger hebben verdrongen.

Van andere woorden zijn zowel de oude d-variant als de nieuwe d-loze variant bewaard gebleven. In veel gevallen voelt de d-variant schrijftaliger, formeler of zelfs plechtstatiger aan dan de d-loze variant. Een aantal voorbeelden van groep 2:

In bepaalde gevallen heeft de d-vorm in het meervoud een andere status. Het meervoud van wei is gewoonlijk weiden of weides; weien is niet voor iedereen acceptabel. Bij tree hebben treeën en trees iets spreektaligs, net als sleeën bij slee. *Slees bestaat dan weer niet. Treden voelt voor mij neutraal, maar sleden juist weer schrijftalig.

Woorden van groep 3 hebben een variant die een andere betekenis heeft gekregen. De d-variant en de d-loze variant zijn dus elk een eigen leven gaan leiden en zijn niet inwisselbaar:

De /d/ wordt een /j/ of /w/
In het midden en het oosten van het Middelnederlandse taalgebied werd de /d/ in de veertiende eeuw in bepaalde woorden een /j/. Als de /d/ vooraf werd gegaan door de tweeklank ou /ɔu̯/, veranderde hij in een /w/.

Er zijn twee groepen van dit type d-wegval. In de eerste groep woorden bestaat de oude d-variant niet meer:

Groep 2 is te vergelijken met de eerdere groep 2: de vormen met een /j/ of /w/ worden als spreektalig ervaren, waarbij de ene nog informeler is dan de andere:

In bepaalde gevallen hebben de /j/- en /w/-vormen een eigen gebruik gekregen. Zo zeg je eerder kwaaie als dat woord slechte betekent, zoals in kwaaie zin hebben en een kwaaie pier. In de ikvorm en gebiedende wijs worden werkwoorden als snijden en houden vaak in hun d-loze vorm gebruikt, ook in de schrijftaal: snij de wortel in stukjes en ik hou van je. In andere gevallen is alleen de d-loze vorm mogelijk: snijplank, uitglijer en glijbaan, want *snijdplank, *uitglijder en *glijdbaan bestaat niet. Denk ook aan op z’n dooie gemak; niemand doet iets op z’n dode gemak.

Daartegenover staan heel wat woorden die noch in het formele, noch in het informele Standaardnederlands een d-loze vorm kennen. D-loze vormen bestaan wel in de streektalen, maar zijn niet tot de standaardtaal doorgedrongen. Hieronder vind je voorbeelden met hun equivalenten in mijn Midden-Brabantse dialect:

De /d/ is vooral behouden voor de uitgang -en van werkwoorden en meervoudsvormen, terwijl de streektalen ook in dat laatste geval d-loze vormen kennen, zoals paoi (paden), broôi (broden) en smeeje (smeden). Ook in wat formelere woorden als hoede, genade, reden en schade is de d behouden, terwijl dialecten als het mijne vormen als hoei, genaoi, reeje en schaoi hebben.

De /d/ verdween ook niet in woorden waarin dat zou hebben geleid tot samenval met een ander woord. Zo behield bloeden zijn /d/ vanwege bloeien. Hier in Noord-Brabant is dat anders: hier zeggen kinderen dat hun vinger bloeit als ze die hebben opengehaald. Die vorm komt uit de dialecten, waar bloeden de vorm bloeie heeft en bloeien de vorm bluuje.

Sommige d-loze vormen worden niet meer geassocieerd met hun d-variant. Zo is moer – zo’n ding met een gat – een verkorting van moerschroef, dat van moederschroef komt. In een moerschroef gaat een vaarschroef: een vaderschroef – zo’n staafje. Denk ook aan moerstaal en aardje naar zijn vaartje.

D-loze vormen vermijden
Een terugkerend thema in de eerdere paragrafen is het feit dat d-loze varianten als informeel of spreektalig worden ervaren. Op het nieuws zul je nooit horen dat er ergens honderden dooien zijn gevallen.

Daarbij zijn er gradaties: goeie is bijvoorbeeld minder informeel dan dooie. Taalgebruikers voelen zulke verschillen aan. Een verslaggever weet dat hij na een vliegramp niet moet spreken over dooien, maar wie in een kruipruimte komt kan best roepen dat er een dooie rat ligt.

Doordat formele vormen prestige hebben en informele niet altijd gepast zijn, bestempelen mensen die laatste soms als slordig, onbeschaafd, ordinair of zelfs fout. De angst voor zo’n fout kan een interessant gevolg hebben: hypercorrectie.

De discussie zal opladen
Pieter van Vollenhoven zei in 1985 op de radio dat hij niet verwachtte dat ‘de discussie weer zal opladen‘. Wat hij bedoelde was oplaaien. Kennelijk zag hij oplaaien als een informele, d-loze vorm, zoals kwaaie en dooie, en wilde hij die vervangen door de ‘juiste’ vorm opladen. Maar oplaaien heeft nooit een d-variant gehad. Het woord komt van laaie (vlam), dat verwant is aan het Middelengelse leye. Opladen in de betekenis oplaaien is dus een hypercorrecte vorm, die geboren is uit de angst om het fout te doen.

Toen de d-loze vormen van woorden als weder, rode en weide ontstonden, hadden die nieuwe vormen minder prestige dan de oorspronkelijke. Bovendien was men gewend anders te schrijven dan men sprak: schrijvers spraken in het dagelijks leven hun eigen streektaal – met d-loze vormen – maar als ze schreven, gebruikten ze vormen mét een d. Daardoor kregen de d-loze vormen een informeel karakter. Dat informele karakter hebben ze altijd behouden (op groep-1-woorden als reu en weer na) en dat heeft al eerder dan Van Vollenhovens opladen-uitglijer geleid tot hypercorrectie – ook bij grote schrijvers.

Saeden, roeden en naeden
In het Etymologicum Teutonicae Linguae (Etymologisch woordenboek van de Nederlandse taal) van 1599 gebruikte Cornelis Kiliaan vormen als saeden, roeden en naeden. Hij zal gedacht hebben dat dat de oorspronkelijke of juiste vormen waren van zaaien, roeien en naaien – waarbij hij mogelijk beïnvloed werd door de gedachte aan zaad, roede en naad. Maar deze werkwoorden hebben nooit een /d/ gehad: zaaien komt van *sēaną (vgl. En. to sow, Du. säen), roeien van *rōaną (En. to row) en naaien van *nēaną (Du. nähen).

Hypercorrecties als saeden zijn nooit standaardtaal geworden, maar andere hypercorrecte d-vormen overleefden het wel. Nu komen we bij de d van geschiedenis.

Gheschien
Geschieden en zijn afleiding geschiedenis behoren tot de hypercorrecties die het Standaardnederlands wél gehaald hebben. De Middelnederlandse vorm was gheschien, uitgesproken met een ië-tweeklank: geskiën /ɣəskiə̯n/. Oorspronkelijk gedroeg het werkwoord zich net als zien. Was dat nog steeds zo geweest, dan was het geschien, geschag, geschien geweest, net als zien, zag, gezien. Vergelijk het Duits: sehen, sah, gesehen met geschehen, geschah, geschehen. Later, toen woorden als glijden d-loze nevenvormen als glijen kregen, begonnen mensen ghescien te zien als d-loze vorm. Ze dachten dat gheschieden de juiste vorm was, net als Van Vollenhoven met zijn opladen.1

Hieronder vind je een aantal hypercorrecte d-vormen die hun d-loze variant compleet hebben verdrongen:

  1. Wat daarbij mogelijk meespeelde, was dat de verleden tijd zwak was geworden. Al in het vroege Middelnederlands werd het een zwak werkwoord met de verleden tijd gheschiede. Die klonk hetzelfde als gheschiedde zou klinken. Mogelijk werd gheschiede geheranalyseerd als gheschied + de, wat dan dus kan hebben bijgedragen aan het ontstaan van de nieuwe stam gheschied-. De woorden die zo’n hypercorrecte d hebben gekregen, hebben echter allemaal een schrijftalig of plechtstatig karakter, en dat is juist een argument voor de hypercorrectieverklaring en niet voor de heranalyseverklaring. Bovendien zou je in het geval van heranalyse ook d’s verwachten bij werkwoorden waarvan de stam op een medeklinker eindigt, zoals *gloorden, doordat gloorde dan geheranalyseerd had kunnen worden als gloord + de, maar zulke gevallen bestaan niet. Het zal geen toeval zijn dat de d’s alleen zijn opgedoken bij woorden waarvan de stam op een klinker of tweeklank eindigt – precies de groep woorden die groter werd door d-wegval.

Een eeuwigdurende strijd

Waar taal verandert, daar is strijd. En dan heb ik het niet over gemopper over zogenaamde taalverloedering; dat is een achterhoedegevecht. Nee, er is strijd tussen twee grote, drijvende krachten achter taalverandering: klankverandering en analogiewerking. De strijd heeft zelfs een eigen naam: Sturtevants paradox. Vandaag kijken we naar die paradox aan de hand van het werkwoord zeggen, dat al eeuwen een strijdtoneel is. De vertrouwde afbeelding is deze keer de afsluiter van het artikel.

Sturtevants paradox
Sturtevants paradox is vernoemd naar de taalwetenschapper die hem formuleerde. De paradox luidt als volgt:

Klankverandering is regelmatig, maar zorgt voor onregelmatigheid;
analogie is onregelmatig, maar zorgt voor regelmatigheid.

Edgar Sturtevant

Klankverandering: regelmatig
Hoe zit dat precies? We beginnen bij klankverandering. Dat klankverandering regelmatig is, wil zeggen dat een klank niet zomaar in willekeurige woorden verandert. Neem de uitspraak van de lange ee /eː/. Die is de afgelopen eeuw in het westen, midden en noorden van Nederland veranderd in een tweeklank die je zou kunnen weergeven als eej [eɪ̯] – behalve als er een /r/ op volgt: dan zit er nooit een /j/-klank in de ee. In het gebied in kwestie klinkt heten als heejten, terwijl heren daar niet als heejren is gaan klinken. Je kunt deze klankverandering formuleren als regel:

De klank ee /eː/ verandert in eej [eɪ̯] tenzij er een /r/ op volgt.

Als je die eej-uitspraak in het woord begrepen gebruikt, heb je hem ook in geslepen, dwepen en repen. De klankverandering is dus regelmatig: hij treedt niet willekeurig in het ene woord wel op en in het andere niet.1

Analogie: onregelmatig
Door naar analogie. Neem de volgende Nederlandse onzinwoorden: een glikje en een prijn. Wat zou daar het meervoud van zijn? Waarschijnlijk zul je zeggen: glikjes en prijnen. Hoe weet je dat? Je hebt die meervoudsvormen immers nog nooit gehoord. Je gebruikt analogie: je gaat uit van een patroon dat je kent. In dit geval behandel je glikje en prijn als woorden als prikje en zwijn:

Glikje staat tot glikjes zoals prikje staat tot prikjes;
prijn staat tot prijnen zoals zwijn staat tot zwijnen.

Waarom noemen we analogie dan ónregelmatig als het gaat om taalverandering? Omdat analogiewerking er zo nu en dan voor zorgt dat er hier en daar iets verandert. Zo’n verandering is niet wetmatig maar sporadisch, in tegenstelling tot klankveranderingen.

Neem het werkwoord vragen. Oorspronkelijk was dat zwak: vragen, vraagde, gevraagd. Vergelijk het Duitse fragen, fragte, gefragt. Maar vragen lijkt veel op dragen en de verleden tijd daarvan is droeg. Het patroon van dragen werd op een bepaald moment uitgebreid naar vragen, op basis van de volgende analogie:

Vragen staat tot vroeg zoals dragen staat tot droeg.

Op dezelfde manier ontstond joeg bij jagen en – in sommige regio’s – kloeg bij klagen. De verandering heeft sporadisch plaatsgevonden, want hij heeft zich niet over de hele breedte van (een variëteit van) het Nederlands voltrokken. Zaagde veranderde niet in *zoeg, en plaagde veranderde niet in *ploeg.2

Klankverandering zorgt voor onregelmatigheid
Terug naar Sturtevants paradox. Die zegt dat analogie voor regelmatigheid zorgt. Maar vragen is vanwege analogie nu toch juist géén regelmatig werkwoord meer? Nou, dat is iets anders: een sterk werkwoord is in feite een ‘anders regelmatig’ werkwoord. Vragen-vroeg past namelijk goed in het regelmatige patroon van andere sterke werkwoorden: dragen, graven, varen, slaan.

Klankverandering zorgt daarentegen voor onregelmatigheid. Hoe dat precies zit, vertel ik aan de hand van onze casestudy zeggen. Daarvoor maken we een reis naar het verleden. We beginnen zo’n 2500 jaar geleden bij het Proto-Germaans.

De gereconstrueerde Proto-Germaanse voorloper van zeggen moet de vorm *sagjaną hebben gehad. Dat zwakke werkwoord was helemaal regelmatig en er waren bergen andere werkwoorden met dezelfde vervoeging. Maar daar zou verandering in komen.

In het West-Germaans trad er een regelmatige klankverandering in werking: alle medeklinkers die door een /j/-klank werden gevolgd, werden verdubbeld: twee keer zo lang uitgesproken. *Sagjaną veranderde daardoor in *saggjan. Die klankverandering was regelmatig en trad dus op in alle woorden met een medeklinker plus een /j/:

Proto-GermaansProto-West-Germaansvertaling
*skapjaną*skappjanscheppen
*satjaną *sattjanzetten
*wakjaną *wakkjanwekken

Niets aan de hand, zou je zeggen, maar nu was het zo dat niet alle vormen van deze werkwoorden zo’n /j/ hadden: in bepaalde vormen was die /j/ eerder al een /i/ geworden – een andere regelmatige klankverandering. Zo was uit *sagjiþ (hij zegt) de vorm *sagīþ ontstaan. En daardoor kon de medeklinker in zulke /j/-loze vormen niet meer verdubbeld worden. De verdubbeling ontbrak onder andere in *saþ, de verledentijdsstam *sagid- en het voltooid deelwoord *sagid. Daartegenover stonden tientallen vormen met een -ggj-, zoals *saggju, de ikvorm. Door regelmatige klankveranderingen was er dus een onregelmatigheid ontstaan: de meeste vormen hadden -ggj-, sommige -gi-.

Analogie zorgt voor regelmatigheid
Aanvankelijk hadden alle werkwoorden met zo’n dubbele medeklinker plus j die onregelmatige vormen. Maar later, in de Germaanse dochtertalen, kwam analogie om de hoek kijken: de dubbele medeklinker, die veruit in de meeste vormen zat, kreeg in de meeste werkwoorden de overhand.

In het Middelnederlands had je bijvoorbeeld wecken (van *wakkjan) naast hī wecket. Wecket had dus ook een dubbele medeklinker gekregen (-ck- = -kk-), terwijl je op basis van het West-Germaanse *wakde vorm *weket zou verwachten. Door analogiewerking was de -ck- dus in alle vormen terechtgekomen. Zo was het werkwoord weer helemaal regelmatig geworden.

Een strijdtoneel: zeggen
Zoals gezegd is analogie sporadisch: in het ene woord treedt wel analogiewerking op, in het andere niet. Woorden die er goed tegen bestand zijn, zijn woorden die veel gebruikt worden. Neem het werkwoord zijn. Het feit dat dat al millennialang onregelmatig is, komt doordat het zeer frequent is. De kans is miniem dat ik ben, hij is en ik was ooit gaan veranderen in ik zij, hij zijt en ik zijde.

Zeggen is ook frequent. We gebruiken dat woord de hele dag. Daardoor heeft het zich anders gedragen dan woorden als scheppen, zetten en wekken.

Nog onregelmatiger
We gaan door naar het vroege Middelnederlands. *Saggjan was in segghen veranderd. In onderstaande tabel staan enkele vormen. Let op de g: de Germaanse gg was een ggh geworden (uitgesproken als in het Engelse big girl) en de enkelvoudige g was een gh geworden (stemhebbend uitgesproken als in vragen). Waar er maar één g op volgde, was de klinker e bovendien lang geworden. Dat waren allemaal regelmatige klankveranderingen, maar die hadden het werkwoord dus nog onregelmatiger gemaakt.

Proto-West-GermaansVroegmiddelnederlandsvertaling
dubbele g*saggjansegghenzeggen
*saggjuic seggheik zeg
enkele g*sagīþhī seghethij zegt
*sagidāic seghedeik zei
*sagidumwī seghedenwij zeiden
*sagidgeseghetgezegd
(De Middelnederlandse s klonk als /z/.)

Een werkwoord dat exact hetzelfde patroon had, was legghen, met vormen als hī leghet en ic leghede. Een vergelijkbaar patroon zat ook in ligghen met hī leghet – ja, dezelfde vorm als bij legghen! – en hebben met hī hevet, waar de vorm heeft vandaan komt.

Nóg onregelmatiger
In het latere Middelnederlands kwam een volgende regelmatige klankverandering nog meer roet in het onregelmatige eten van legghen en zegghen gooien: de combinatie -eghe- [eːɣə] veranderde in het westen in -ey- (spreek uit: eej [ej]) en in andere gebieden in -ee- [eː].3 Het is dezelfde verandering die plaatsvond in het woord seghel, dat seyl werd en uiteindelijk zeil. Vergelijk het Duitse Segel. Deze verandering zorgde dus voor een nóg groter verschil. Er stonden nu -eggh-vormen tegenover -ey-/-ee-vormen:

VroegmiddelnederlandsLaatmiddelnederlandsvertaling
dubbele gsegghensegghenzeggen
ic seggheic seggheik zeg
enkele ghī seghet hī seyt, seethij zegt
ic seghedeic seyde, sedeik zei
wī seghedenwī seyden, sedenwij zeiden
gheseghetgheseyt, gheseetgezegd

Hetzelfde gebeurde weer met het werkwoord legghen, met onder andere de vormen hī leyt/leet en ic leyde/lede.

De verleden tijd op de schop
We spoelen nu een paar eeuwen door. In het Standaardnederlands in wording veranderde ic seyde in ik zeide, en seyden in wij zeiden. Die verledentijdsvormen vertoonden onderling nog hetzelfde patroon als ik speelde en wij speelden. Maar niet voor lang.

Door een volgende verandering verloren woorden het stuk -de na een klinker. Dat was geen absolute verandering, want naast la staat nog steeds lade en naast hei staat heide. Maar in werkwoordsvormen als ik zoude, ik woude, ik zeide en ik leide was de wegval definitief: ik zou, ik wou, ik zei en ik lei. In de meervoudsvormen kon die verandering niet optreden, want die gingen uit op -den: zeiden etc. (De -n werd destijds nog uitgesproken.)

Ik zei zeggen we nog steeds, maar ik lei is zo goed als uit het Nederlands verdwenen. Van Dale vermeldt ik lei nog als ‘informeel’, maar ik heb het niemand ooit horen gebruiken. Leggen is dan ook het slachtoffer geworden van analogie: het is regelmatig geworden en heeft zich aangesloten bij eggen en dreggen.

Waardoor is zeggen daar gespaard voor gebleven? Doordat dat een veel frequenter woord is. Overigens is ‘gespaard’ niet het juiste woord: de analogische vorm zegde bestaat intussen wél. Die vorm wordt met name in samenstellingen gebruikt (dat hij toezegde) en komt meer in Vlaanderen voor dan in Nederland.4

Vandaag de dag zien we analogie live in actie: in informele spreektaal sneuvelt de -d- van de meervoudsvormen vaak: we zouen, we wouen, we zeien. Daardoor sluiten de werkwoorden zich weer aan bij een frequent patroon: we zeien staat tot ik zei zoals we vielen staat tot ik viel.

Analogiewerking in de tegenwoordige tijd en het voltooid deelwoord
Over de tegenwoordige tijd kunnen we kort zijn: zeit en leit hebben het afgelegd tegen de analogische vormen zegt en legt: de stam zeg plus een -t. Dat geldt ook voor gezeid en geleid: die zijn veranderd in gezegd en gelegd: ge- plus stam plus -d. In deze gevallen zijn de ei-vormen al lange tijd uit de standaardtaal verdwenen – maar nog niet uit de streektalen!

De streektalen: minder strijd
In veel streektalen heeft analogie bij zeggen en leggen niet zo ingrijpend gewerkt als in het Standaardnederlands. Een dialect dat vormen heeft die rechtstreeks van de Laatmiddelnederlandse ee-vormen afstammen, is het Midden-Brabantse Kaatsheuvels (het dialect dat rond de Efteling wordt gesproken):

LaatmiddelnederlandsKaatsheuvels (Midden-Brabants)vertaling
dubbele gsegghenzeggezeggen
ic seggheik zegik zeg
enkele ghī seet hij zeet /zeːt/hij zegt
ic sedeik zeej5 /zei̯/ik zei
wī sedenwij zeejewij zeiden
gheseetgezeedgezegd

In de verledentijdsvormen is de /d/ veranderd in een /j/, een verandering die we ook zien in informele Nederlandse vormen als rooie tegenover rode. De -e van ic sede is verdwenen, zodat zeej/zeeje aansluit bij het patroon gleej/gleeje (gleed/gleden). Het werkwoord legge gaat exact hetzelfde: hij leet, ik leej, geleed etc. Ook hij ligt komt voor als hij leet, een vorm die afstamt van leghet (de Middelnederlandse vorm die legghen en ligghen deelden, zoals eerder verteld).

Vergelijkbaar met het Brabantse hij zeet zijn het Venlose zaet en het Maastrichtse zeet. In bepaalde Brabantse dialecten is de uitgang -t weggevallen en heb je nu zee, zoals in Antwerpen, of zeej, zoals in het Tilburgs en mijn Drunens. Tilburg kent ook het voltooid deelwoord gezeej naast gezeed; in Antwerpen is het gezee.

In West-Vlaanderen zien we niet de ee- maar de ei-vormen terug: gezegd is er ézeid/hezeid (of zelfs ézein/gezein) en gelegd is er éleid/heleid (élein/helein). In de verleden tijd worden zei en lei gebruikt.

In het kort
Ons huidige werkwoord zeggen is het product van een eeuwenlange strijd tussen klankverandering en analogie. Soms werd het onregelmatiger door regelmatige klankveranderingen, soms regelmatiger door onregelmatige analogieën – een paradox die Sturtevant voor het eerst beschreef. Onderstaande afbeelding geeft een samenvatting:

  1. Deze voorstelling is voor de overzichtelijkheid gesimplificeerd. Klankveranderingen zijn geconditioneerd; dat betekent dat ze onder bepaalde voorwaarden plaatsvinden. Zo gebeurt het dat een klinker alleen vóór of na een bepaalde medeklinker verandert (zoals de /eː/ die niet voor een /r/ verandert), of alleen als de klemtoon erop valt. Maar dan nog voltrekt de verandering zich in alle gevallen waarin aan die voorwaarde voldaan wordt – althans gewoonlijk, want er is ook nog zoiets als lexicale diffusie. Zo heeft in het Amerikaanse Philadelpha het woord glad een tweeklank: [ɡlɛəd], iets als glèëd, terwijl sad gewoon een korte klinker heeft: [sæd].
  2. Analogiewerking gaat bij sterke werkwoorden overigens ook de andere kant op: biek veranderde in bakte naar analogie van hakte.
  3. In Limburg was de lange ee waarschijnlijk niet /eː/ maar /ɛː/ (van blèren), zoals vandaag de dag: heer zaet /zɛːt/ (hij zegt). Vergelijk ook het Nederlandse steken met het Limburgse staeke /stɛːkə/. De Limburgse verledentijdsvormen ich sag en veer sagte zijn ontstaan uit een vroege samentrekking van *sagid- tot *saht-, waardoor vanwege het gebrek aan een i ook geen i-umlaut van a naar e kon optreden.
  4. https://taaladvies.net/taal/advies/vraag/931/zegden_zeiden/
  5. Voor de liefhebber: via een ingewikkelde route van heranalyses en analogieën zijn naast zeej ook de vormen zi (met de i van pit) en zin ontstaan. Alle drie komen die vormen nu in de Kaatsheuvels en de omringende dialecten voor (zoals mijn Drunens).
    Naast hij heej (heeft) ontstond de vorm hij hi, doordat heej werd opgevat als hi + j, zoals ook hij gòi (gaat) naast staat, ziej (ziet) naast zie en doei (doet) naast doe. Daardoor ontstond naast zeej ook de vorm zi. In het meervoud werd dat wij zin, met dezelfde n als o.a. wij gòn, zien en doen. Vervolgens werd zin geheranalyseerd als stam, waardoor ik zin naast wij zinne kwam te staan. Hetzelfde geldt voor legge (met leej, li en lin) en gedeeltelijk ook voor staon (met sti en stin naast ston).